Het Tuingeweten

Wat behoort de enthousiaste tuinier te doen in oktober? Niet vredig binnen zitten en een tuinboek lezen, zoveel is zeker. Afgezien van de dingen waarvan een kind kan zien dat ze gedaan moeten worden - de bolsters van de beukenoten oprapen voor ze onherstelbaar vermengd zijn met afgevallen bladeren, vervolgens die bladeren zelf opvegen, en rommel opruimen in het algemeen - zijn er deze maand hele waslijsten van urgente taken: nieuwe rozen en vaste planten moeten in de grond, de oude moeten gescheurd, de dahliaknollen gerooid, de tweejarigen (zoals muurbloemen) uitgeplant, de vorstgevoelige planten uitgegraven en ergens veilig ondergebracht, de bollen geplant (maar niet de tulpenbollen) en alle borders omgespit.

Dit is zo'n beladen programma dat het ijzersterk zou zijn als alibi: je kunt de verdachte bijna horen zeggen, zelfverzekerd, dat hij deze moord onmogelijk in oktober kan hebben gepleegd, omdat hij het veel te druk had in de tuin. November is nog erger: ""Gedurende de volgende paar weken wordt u geconfronteerd met de naargeestige taak van schoonmaken. Doe het grondig. Verbrand alles wat niet geschikt is voor de composthoop. Ga intussen voort met het planten. Begin water te onthouden aan de warme en koude kas. Stuur de snoeischaar om geslepen te worden.'' (C.E. Lucas Phillips, The Small Garden.)

De strenge taal van zulke lijsten doet je de huiveringen over de rug lopen. Wat gebeurt er als je de snoeischaar niet hebt weggebracht? Want vergeten wordt er niets, in december word je er voor op de vingers getikt: ""Stuur grasmaaiers, grasscharen e.d. naar de slijperij (de snoeischaar had al eerder onder handen moeten worden genomen).'' Toen ik begon met tuinieren kon ik mij er slechts met moeite toe brengen dergelijke instructies te lezen; het was alsof mijn Kwade Tuingeweten over mijn schouder meelas, om te controleren of ik iets van de dingen die ik had moeten doen, ongedaan had gelaten. Nu lees ik ze met een zeker genoegen en verlustig mij in alles wat ik niet hoef te doen (het lezen van de sectie over de moestuin is bijvoorbeeld heel bevredigend).

Als je geen dahlia's hebt hoef je ook geen dahliaknollen te rooien. Wat de vorstgevoelige planten betreft, daarover huizen twee zielen in mijn borst: of je probeert ze uit, om te zien of ze het klimaat van je tuin aan kunnen - in welk geval het voldoende is ze bij vorst wat in te pakken - of ze hadden er, als je geen kas hebt, eigenlijk helemaal niet moeten zijn. Zo hoop ik er tijdig aan te denken om de Ierse Lobelia tupa tegen de vorst te bedekken, hoewel die al op een beschutte plaats staat, en ook de Acanthus "Lady Moore', die naar het heet ook vorstbescherming nodig heeft tot zij haar draai heeft gevonden. Maxima/minima-thermometers zijn voor al deze experimenten onontbeerlijk.

"De hele border omspitten' - jawel, maar dat kan alleen als je eerst alles voorzichtig uitgraaft, anders is het spietsen van leliebollen en het decimeren van vergeetmenietjes (die zichzelf uitgezaaid hebben - dus geen moeilijkheden op dat front) onvermijdelijk. Heel leerzaam is mijn muurbloemen-epos. De mijne (gezaaid in '91) heb ik dit voorjaar uitgeplant op hun definitieve plaats; het bed waarvoor ik ze bestemd had was niet eerder gereed. Aangezien ze in 1992 geen tijd hebben gehad om te bloeien zullen ze dat, insjallah, nu in 1993 doen, hetgeen ze opmerkelijk genoeg tot driejarigen zou maken. Deze planten, intussen, komen van zaden die ik in 1990 vergeten had te zaaien.

Veel mensen planten nu hun vaste planten niet meer alleen in het najaar; het boek van Phillips moet dateren van vóór de tijd dat je ze het hele jaar door in potten kon kopen. In die dagen ging je in de zomer kijken hoe je uitverkoren plant bloeide en keerde pas in het najaar, wanneer zij verschrompeld en verwelkt was, terug naar de kwekerij om haar te kopen. Zelfs rozen zijn nu permanent verkrijgbaar in potten, en kunnen in theorie het hele jaar door worden geplant.

Maar toch, sommige dingen zijn nu eenmaal bijna onvermijdelijk, en een daarvan is het planten van bollen. Helemaal zonder kan natuurlijk ook, maar de drijfveer ze te kopen is om een of andere reden niet te onderdrukken: daar zijn ze, in een bollencatalogus of in een kraampje op de markt, of op een Open Dag hier of daar. Het is opmerkelijk, in aanmerking genomen hoe gemakkelijk je vergeet ze te planten, dat je nooit vergeet om ze te kopen.

Aan het kopen van bollen zijn hoogst redelijke kanten, zoals een bepaalde kleur op een bepaalde plek willen hebben, maar ook andere die minder rationeel zijn: deze zien er goed uit, ik beslis later wel waar ik ze plant. Wanneer het pakket tenslotte arriveert is er daarom altijd een moment dat je je afvraagt of de zending niet voor iemand anders bestemd is: wat moet ik in vredesnaam met 96 stuks Iris reticulata? Ik vermoed dat dit de reden is dat mijn bollen zo lang doorbrengen in de schuur, wachtend om geplant te worden. Ik herken het gevoel ook nu weer: het begint ongeveer mid-september en het is als een onzichtbare gramofoonplaat: denk aan de bollen! denk aan de bollen!

Maar vroeg of laat komt het moment toch: een conjunctie van gunstige voortekenen voltrekt zich (in de sterren misschien - "Deze week: op dinsdag zult u problemen hebben met uw werk en op zaterdag zult u bollen planten') en je trekt de tuin in met de papieren zakjes en dat groot model appelboor waar je bollen mee plant. Het probleem waar de Iris reticulata te zetten is eigenlijk nog niet echt opgelost, maar niets dat zo goed helpt om het brein te stimuleren als knielen op de kille grond; je plant ze toch wel ergens.

En dan - na alle beginnersfouten te hebben vermeden, zoals de nieuwe bollen planten bovenop die van vorig jaar (krak! gaat de bollensteker als hij de Fritillaria meleagris doorklieft), en nadat je wat late tulpen tussen de Japanse anemonen hebt geplant (waarvan het gebladerte, bedoeld om de stervende overblijfselen van die tulpen te camoufleren, dit voorjaar de bloemen aan het oog onttrok; crocussen tussen hosta's, dat is veel veiliger) - ja, dan ga je weer naar binnen met een ander bekend gevoel: was dat nu alles?