GEVELSTENEN

De gevelstenen van Amsterdam door Onno W. Boers 208 blz., geïll, De Bataafsche Leeuw 1992, f 69,90 ISBN 90 6707 279 6

Over de gevelstenen van Amsterdam is veel geschreven, maar kennelijk nog niet alles. Onno W. Boers, werkzaam bij de Dienst Stedelijke Musea Amsterdam, werkte twintig jaar aan De gevelstenen van Amsterdam. Het boek geeft een overzicht van alle Amsterdamse gevelstenen - niet alleen de stenen aan de openbare weg in en buiten de hoofdstad (in voor- èn achtergevels), maar ook de stenen die zich in privé-collecties en de depots van diverse musea bevinden. Dat zijn er steeds minder. Boers telt er 822, terwijl in de zeventiende-eeuw de Warmoesstraat alleen al zo'n honderdvijftig ""versteende uithangborden'' had.

Het ontstaan van de gevelsteen hangt sterk samen met een verordening die na de stadsbranden van 1421 en 1452 verscheen respectievelijk werd vernieuwd. Nieuwe huizen moesten in het vervolg van steen zijn, en de tot dan toe houten uithangborden werden vervangen door gebeeldhouwde reliëfs. Tekst en beeltenis op de stenen verwijzen vaak naar de naam van de toenmalige eigenaar / bewoner, het ambacht dat er werd uitgeoefend dan wel naar vertrouwen in het Opperwezen (""God is mijn Burch''). De stenen dienden tevens als adresaanwijzing. Gevelstenen verloren hun functie pas aan het einde van de achttiende eeuw, toen in Amsterdam huisnummering werd ingevoerd. Tot die tijd woonde men in "De 2 Gecroonde Konynen' of in "De Vergulde Wagen', naast "'t Mannetje inde Laers' of vlakbij "De Roo Oly Molen'.

In De gevelstenen van Amsterdam is naast een alfabetische index een thematische index opgenomen, die de lezer in staat stelt op onderwerp in het boek te bladeren en door de stad te wandelen. Het Oude en Nieuwe Testament, evangelisten en heiligen en de christelijke symboliek en symbolen nemen alleen al ruim twee pagina's in beslag. Maar het grootste deel verwijst naar de herkomst van het dagelijks brood: "D'Brouwer', "De Ionghe Timmerman'.

In de zeventiende eeuw was emblematiek, het gebruik van zinnebeelden, gebruikelijk in de literatuur. Jacob Cats en ook Jan Luyken hebben menig maker van gevelstenen geïnspireerd. Voor hun tijdgenoten was de aanduiding "Al Niet' en een omgekeerde geldbuidel (het vanitassymbool) voldoende om uit te drukken dat al wat de mens begeert niets waard is bij de dood of bij het laatste oordeel. Het spinnewiel werd een symbool voor de deugd der huiselijkheid. Een van de aardigste voorbeelden is de steen "War-Gaarn'(Lindengracht 53) waarop twee aapjes met garen spelen: de deugd is zoek.

In enkele gevelstenen is de hand van een bekende kunstenaar (zoals Hendrick de Keyser) te herkennen, maar meestal waren de makers goedwillende ambachtsmannen. Het perspectief van de steen "D'Heerlykheyt Udinck' (Tussen Kadijken 3) doet zelfs vermoeden dat een driejarige de beitel heeft gehanteerd. De ontwerpers en makers grepen niet zo hoog; een scherpe zin voor het anekdotische was hun voornaamste kenmerk. Gevelstenen tonen dan ook vooral ""onopgesmukte waarheidszin'' en waren eerder ""nuchtere boutades in steen'' dan monumentale uitingen van beeldhouwkunst.

Over het verdwijnen van stenen hoeft Boers niet meer te klagen: dat hebben zijn voorgangers al gedaan. Bij elke telling bleken er stenen te zijn verdwenen. Tegenwoordig wordt gepoogd stenen uit panden die worden afgebroken, elders in de stad te herplaatsen. Soms duiken verloren gewaande stenen zelfs weer op. "De Stadt Schuterop' kwam na tal van omzwervingen door het land weer in Amsterdam boven water. Hoewel, Amsterdam? Buitenveldert. Het is dan ook nog maar de vraag of de steen wel echt is: hij is afkomstig uit de inboedel van meestervervalser Han van Meegeren.

    • Eric Slot