De opvoeders op de tribune

De voorzitter en de spelers van Feyenoord hebben een stichtend voorbeeld aan voetballend Nederland gegeven door hun supporters op de staantribune de oren te wassen voor het vuilbekken waarop zij enkele weken geleden de tegenstanders uit Israel hebben getrakteerd. De pamfletten die zij voor het begin van de competitiewedstrijd tegen Volendam in vak S hebben laten uitdelen, waren geen pedagogische traktaten die uitblonken door duidelijke definities van vuilbekken, maar de boodschap kwam in zoverre over dat de tribuneklanten in vak S nu weten dat antisemitische leuzen in het Feyenoord-stadion voortaan niet meer worden getolereerd.

Het is jammer dat Metgod c.s. het kind niet bij de naam noemden en alleen in algemene termen tegen het gebruik van discriminerende taal waarschuwden, maar het is tenminste een begin. Ik zou die waarschuwing ook niet hebben beperkt tot het uitschelden van de Israelische tegenstanders, maar ook het "joodse' Ajax en de "Surinaamse' Stanley Menzo in bescherming hebben genomen. Elke week vliegen wel ergens in een voetbalstadion de vreselijkste verwensingen door de lucht. Een tegenstander hoeft maar met één zwarte voetballer in het veld te verschijnen of deze kan zich al niet meer bij de cornervlag vertonen zonder in zijn gezicht te worden gespuwd of op de smerigste beledigingen te worden onthaald. Maar je kan niet alles in één keer goed doen en misschien is het beter om zo'n cursus in tien afleveringen te geven.

Feyenoord is terecht geprezen (zelfs door de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, wat in de 400-jarige geschiedenis van dat weekblad nog niet eerder is voorgekomen) omdat het een daad heeft gesteld die naar te hopen valt ook andere clubs zal aansporen tegen dit om zich heen grijpende verschijnsel in het geweer te komen. Feyenoord heeft zich rekenschap gegeven van zijn verantwoordelijkheid voor het wangedrag van een paar honderd aanhangers en besloten het kwaad in het openbaar te bestrijden. Over een paar weken komt Ajax naar het Feyenoord-stadion en we zullen zien of de leiding van Feyenoord ook dan in het vak S de hardheidstest doorstaat.

De heren van Rood en Wit verdienen de steun van de hele voetbalgemeenschap, maar ik vrees dat hun pedagogische actie niet veel succes beschoren zal zijn. Ik denk niet dat de verantwoordelijke figuren bij Feyenoord zelfs maar bij benadering weten hoe ze dit sociale kankergezwel moeten bestrijden. De pamfletten die ze de stadionsuppoosten hebben laten uitdelen geven daarover geen enkele aanwijzing. De waarschuwende vinger die in die strooibiljetten wordt opgestoken, richt zich helemaal niet tegen de antisemitische leuzen van de supporters maar tegen de schade die de supporters aan het belang van de club kunnen toebrengen. De club wordt in diskrediet gebracht.

De waarschuwing houdt in het geheel geen aankondiging in van strijd tegen racisme, maar is een oproep tot het schoonhouden van het blazoen van de club. Het Feyenoord-bestuur komt niet verder dan de onmachtige uitspraak dat het gebruik van discriminerende leuzen onfatsoenlijk is. Zoiets willen we niet horen. Zoiets geeft de club een slechte naam.

Het bestrijden van antisemitisme is ook veel te lastig om aan voetbalorganisaties over te laten. Amateurclubs zouden dat misschien nog kunnen, want die vormen nog compacte sociale verbanden met een groot uitgevallen familiestructuur. Ook Feyenoord had zo'n structuur, maar dat was lang voor de opkomst van het tribunevandalisme. In mijn juniorjaren bij de club was niet alleen het vloeken in en buiten het veld volledig uitgebannen, maar werden ook alle middelbare scholieren die met een drie of een vier op hun paasrapport thuiskwamen niet meer opgesteld totdat ze die cijfers weer hadden opgehaald. De arm van de jeugdcommissie reikte tot in de huiskamer van de juniorleden. Maar dat is al lang verleden tijd.

Het betaald voetbal is een bedrijfstak waarin de sociale verantwoordelijkheden uit het verenigingsverleden volledig zijn verdampt. En zelfs als Feyenoord de oude verenigingsvorm nog had, zouden de voetbalwedstrijden even goed ontsierd worden door de sinistere randverschijnselen op de tribunes. Het probleem zit niet onder de gewone supporters (de vroegere "leden' en de leden van de supportersverenigingen) maar onder de "extraneï', de in legerlaarzen lopende helden uit de rimboe, die voor korter of langer met de gewone maatschappij niet meer meedoen.

Voetbalbedrijven die het met één voorzitter, een paar trainers en twintig voetballers daartegen moeten opnemen, hebben het bij voorbaat al verloren. Elke waarschuwing dat de clubs de moderne uitwassen van supporterschauvinisme niet meer over hun kant laten gaan, is meegenomen, maar helpen zal het niet.

Hoeveel commissies de KNVB er ook voor opricht, het bestrijden van discriminatie in de voetbalstadions is voorlopig in de eerste plaats nog een zaak van het Openbaar Ministerie. Een scherper opsporingsbeleid en een intensivering van het handhavingsbeleid leggen meer gewicht in de schaal dan een waarschuwende vinger van een voetbalbestuurder. Maar juist de ervaringen van het Openbaar Ministerie wettigen op dit punt geen optimisme. Het blijkt bij het vervolgen van een antisemitische geschrift op grond van artikel 137c van het wetboek van strafrecht (belediging van een groep mensen) al moeilijk genoeg te zijn het bewijs van opzettelijke belediging te leveren. Bij het vervolgen van mondelinge belediging (door supporters die als groep op een tribune samenklitten) is het verkrijgen van een bewezenverklaring nog moeilijker. Dat is ook de reden dat het Openbaar Ministerie in de kwestie van het supporters- antisemitisme totdusver de kat uit de boom heeft gekeken.

Het is terughoudend beleid dat als conventionele wijsheid is verkocht. Dat is niet onbegrijpelijk, want het risico dat het Openbaar Ministerie aan zaken begint die niet tot een veroordeling leiden, omdat de bewijsproblemen over "de opzet' niet kunnen worden opgelost, is tamelijk groot. Maar terughoudend beleid is geen wijs beleid meer wanneer de beledigingen op de tribunes steeds stuitender vormen aannemen en de joodse gemeenschap steeds vaker in haar eigenwaarde wordt aangetast. Dan moet de overheid opstaan en zelf de plaats van opvoeder op de tribunes innemen.

    • H.A. van Wijnen