De opkomst van de Neo-Cyprioot

Hoewel de Griekse pers ze liever doodzwijgt, treden ze steeds meer op de voorgrond: de Neo-Cyprioten. Het gaat om bewoners van Cyprus die hun eiland niet als iets Grieks of als iets Turks zien, maar als een zelfstandige entiteit. Waar blijft, zo vragen zij, bijvoorbeeld het eigen volkslied?

ATHENE, 24 OKT. Op Cyprus is het tot een rel gekomen na de inauguratieplechtigheid waarmee de nieuwe universiteit van Grieks Nicosia werd geopend. Het Voorlopig Besturend Comité onder mevrouw Nelly Tsoujopóulou heeft in de pers een geloei van woede opgeroepen door tijdens de plechtigheid de vertegenwoordiger van de Griekse regering niet aan het woord te laten, evenmin als de afgezant van de Atheense Academie, die kwaad wegliep. De boodschap van de Griekse minister van onderwijs werd niet voorgelezen. Er wapperden ook geen Griekse vlaggen. Wel werd groot leedwezen betuigd over het feit dat hoogwaardigheidsbekleders uit de, niet erkende, "Turkse republiek Noord-Cyprus' niet waren komen opdagen.

De Cyprische Universiteit, die nu eindelijk van de grond komt, lijkt qua opzet een Grieks-Turkse instelling te moeten worden waarbij de culturen van beide bevolkingsgroepen worden erkend als bestanddelen van één Cyprisch geheel. Uit de regie van de inauguratieceremonie krijgt men de indruk dat in het bestuur van de autonome universiteit stromingen zijn komen bovendrijven, afkomstig uit een groepering waarover wij nog niet zoveel hadden gehoord, omdat zij nog niet is georganiseerd en in de media niet aan het woord komt.

Het gaat om de zogenaamde "Neo-Cyprioten', die hun eiland zien als een zelfstandige entiteit en in reactie zijn tegen de idee van het Griekse "moederland' waarnaar men zich in Nicosia tientallen jaren, zelfs in de periode van de kolonelsdictatuur, heeft gericht. Zij vinden, om een voorbeeld te noemen, dat de republiek Cyprus, na 32 jaar zelfstandigheid, wel eens een eigen volkslied mag krijgen in plaats van dat van Griekenland waarop men nogsteeds terugvalt.

Ook in de Turkse sector zijn er trouwens, die van de nauwe banden met het - Turkse - voogdland afwillen en betogen dat zij geen Turken maar Cyprioten zijn. Wederzijds wordt gestreefd naar een doorbreking van de scheidsmuren: een Cyprus voor de Cyprioten, in de Levantijnse sfeer.

Omgekeerd is er in Griekenland een enorme animositeit gegroeid jegens de Grieks-Cyprioten die de laatste tientallen jaren - bij gebrek aan een eigen universiteit - in groten getale in Athene en Thessaloniki mochten komen studeren, gratis - inclusief huisvesting en spijziging - en zelfs ontheven van examendwang.

De belangstelling van de doorsnee Griek voor wat er op het eiland gebeurt is verder miniem - bij de "Macedonische kwestie' voelt men zich honderdmaal meer betrokken. In de jaren vijftig was dat anders, maar in de loop van de decennia is een grote mate van gemelijkheid gegroeid, vermengd met het gevoel, op sleeptouw te worden genomen door een constellatie die "ons niet aangaat'. De eindeloze reeks bezoeken aan Athene van de staatshoofden Kyprianou en Vasiliou, met steeds weer dezelfde gemeenplaatsen, verwekken hoogstens nog hilariteit. En boekt een Cyprische voetbalclub eens een succes, dan komt dat nauwelijks in de Atheense media.

Anders werd het dit seizoen toen Cyprische en Griekse teams tegen elkaar uitkwamen. Eerst de nationale elftallen, hetgeen tot grote verbittering van de Grieken door Cyprus werd gewonnen. Daarna, voor de Europese beker van landskampioenen, APOEL tegen het Atheense AEK, allebei eindigend in gelijk spel. Vooral de tweede, op Cyprus gespeelde match werd in zeer slechte harmonie afgewerkt, en gold voor de UEFA als een "wedstrijd met sterk verhoogd risico'. De toeschouwers zaten streng gescheiden.

Dit alles is buiten de Griekse wereld nagenoeg onbekend maar wordt ook daarbinnen niet openlijk aan de orde gesteld. De rel op de universiteit heeft de Griekse pers nog zowat niet gehaald. De Grieks-Cyprische echter kon er zich niet aan onttrekken.

De grote vraag is, in hoe sterke mate men op Cyprus na zoveel tientallen jaren is uitgekeken op de "Kalamarádes' (pennelikkers) en uitgeluisterd op hun Helleense galm- en preektoon. Feit is dat men niet meer, als in de tijd van Makarios, te hoop loopt om te horen hoe Grieks men wel is. Makarios' geestelijke opvolger, de uiterst fanatieke aartsbisschop Chrisóstomos, is nu de belichaming van de Griekse idee - hij kwam niet naar de opening van de universiteit omdat daarbij geen kerkelijke ceremonie was gepland - maar bij de patriottische demonstratie die hij eerder dit jaar zelf organiseerde, vertoonden zich slechts enkele duizenden, ook al gold als grote attractie dat daarbij de bekende Griekse zanger Dionysios Savópoulos zou optreden. Deze voormalige anarchist is nu geheel in religieus en nationalistisch vaarwater geraakt en roept de Cyprioten op te luisteren naar hun aartsbisschop “en niet naar Boutros Ghali”.

Misschien doet zich op korte termijn een gelegenheid voor, de Neo-Cyprioten te tellen. Op 26 oktober moeten in New York onder auspiciën van Boutros Ghali de onderhandelingen herbeginnen tussen president Vasiliou en de Turks-Cyprische leider Denktas. Bij de vorige ronde werd de president nog door de partijleiders van zijn republiek vergezeld, maar deze keer hebben zij allen, met uitzondering van de communistische - die ook het incident op de universiteit bagatelliseerde - aangekondigd thuis te blijven en Vasiliou aangeraden dat ook te doen.

Mocht Vasiliou zich in New York lenen voor enkele van de verregaande concessies die Denktas verlangt, dan zal hij ongetwijfeld in het politieke en journalistieke establishment worden uitgekreten voor "Neo-Cyprioot'. Deze winter komt het óf tot een referendum over de nieuwe constellatie, na opheffing van de republiek, óf tot de vijfjaarlijkse Grieks-Cyprische presidentsverkiezingen in februari. Daarbij kan dan blijken hoe groot het, deels stilzwijgende, contingent van Neo-Cyprioten is dat de nog steeds populaire president steunt.

    • Frans van Hasselt