De kracht van de kraton; Hoe een prinses van Surakarta het opneemt tegen een zoon van Soeharto en op de bres springt voor het koninklijk paleis

Vorst Paku Buwono XII van Surakarta, telg uit een oud Javaans koningsgeslacht, kampt met chronisch geldgebrek en geeft toestemming om binnen de muren van zijn paleis in Solo, de meest Javaanse stad van Indonesië, een luxe hotel te bouwen. Een van zijn vijfendertig kinderen, nota bene een vrouw, trotseert haar vader. De prinses weigert de kraton, het heiligste der heiligen van de Javaanse cultuur, uit te leveren aan de investeerder, een Soeharto-zoon, en dreigt met een hongerstaking. De koninklijke familie is verdeeld, de mannelijke pretendenten zwijgen en de vorst houdt koppig vast aan zijn afspraak met de geldschieter. Een paleisrevolte met een mystieke achtergrond.

Op de tonen van de gamelan glijden vijf jonge vrouwen over de gladde vloer van de Marakata, het "paviljoen van smaragd' in het vorstelijk paleis van Surakarta (Solo). Geconcentreerd voeren ze de complexe figuren uit van de Srimpi, een Solonese hofdans. Ze luisteren niet alleen naar de ijle klanken van het orkest en de melancholieke stemmen van de vier zangeressen, maar ook naar de aanwijzingen van hun lerares. Die zit naast de muzikanten en dirigeert de bewegingen door ritmisch op een houten kastje te tikken en met haar vrije hand mee te dansen.

Het is zondagmiddag en ik sla de wekelijkse dansles gade van Gusti Raden Ayu (prinses) Koes Moertiyah, het vijfentwintigste kind van Sri Susuhunan (vorst) Paku Buwono XII van Surakarta. Onder haar leerlingen bevinden zich een prinses - een van de vijfenveertig koninklijke kleinkinderen -, enkele jonge Solonesen en twee Japanse studentes die zich toeleggen op het Javaanse hofdansen. De twee hoofdrollen in deze Srimpi zijn

weggelegd voor gevorderden: het prinsesje en een Japanse.

Onder de toeschouwers, in meerderheid paleisbedienden, zijn twee buitenlanders, een Nederlandse journalist en een Amerikaanse architect. De laatste bestudeert de ruimtelijke conceptie van de Javaanse bouwmeesters die de kraton in de loop der eeuwen, paviljoen voor paviljoen, hebben opgetrokken. Het paleis is allang geen centrum meer van politieke macht, toch is het meer dan versteende geschiedenis. De kraton is vanouds een hogeschool van de Javaanse cultuur en filosofie en dat moet zo blijven, vindt prinses Koes Moertiyah.

"Mbak (zus) Moer', zoals familieleden en vrienden haar noemen, is behalve prinses ook doctoranda; ze studeerde javanologie aan de Universiteit van Solo.

Door haar inmiddels overleden moeder, Raden Ayu Pradapaningrum, een van de zes concubines van Paku Buwono XII en afstammelinge van een beroemde hofdichter, werd ze al jong ingewijd in de danskunst van het hof. Inmiddels is ze directrice van de Stichting Culturele Vorming Kraton Surakarta - zeg maar "minister van cultuur' van het minirijkje binnen de witte muren - en ze bemoeit zich actief met het dagelijks beheer van het paleis. In een pauze van de dansles informeert ze vriendelijk maar dringend bij een paleisbediende of er al iets is gedaan aan de lekkage in een van de paviljoens.

Dat dagelijkse beheer is inmiddels uitgegroeid tot een schier onmenselijke taak. Het hof is in de loop der jaren afgesneden van zijn traditionele bronnen van inkomsten: belastingen, herediensten, de pacht van de Grote Markt, de opbrengst van de kraton-domeinen en de suikerfabrieken. De ooit zo scheutige subsidies van het Hollandse gouvernement, die de uitgerangeerde Javaanse vorsten in staat stelden om met de nodige praal hof te houden, zijn sinds de onafhankelijkheid geslonken tot zesduizend gulden per maand. Daarvan moeten alle zeshonderd paleisbedienden van de zes hectare grote kraton worden betaald (zij ontvangen maandelijks drie tot zestien gulden) en de forse energierekening worden voldaan. De toeristen, die tegen betaling van zestig cent een kijkje mogen nemen in een deel van het paleiscomplex, bieden weinig soelaas. Een kwart van die opbrengsten moet worden afgedragen aan het stadsbestuur van Solo.

Van trouwen is het door alle drukke bezigheden nog niet gekomen, Mbak Moer is op haar 33ste nog steeds vrijgezel. Samen met enkele andere ongetrouwde dochters van Paku Buwono XII woonde zij al die jaren in de keputren, het prinsessenpaviljoen in de zuidwestelijke vleugel van de kraton. Ook tijdens haar studie bleef ze daar wonen, onderworpen aan strenge hofregels. In de keputren worden mannen vanouds niet toegelaten, maar sinds kort hebben ook enkele ongehuwde broers en halfbroers er een kamer. Zij hebben geen werk en het leven buiten de paleismuren is onbetaalbaar geworden.

Gusti Koes Moertiyah kwam twee maanden geleden in het nieuws toen ze de plaatselijke pers vertelde in hongerstaking te zullen gaan als van het prinsessenverblijf een hotel wordt gemaakt. Haar vader, vorst Paku Buwono XII, denkt op deze manier voordat hij sterft - hij loopt tegen de zeventig en heeft een zwakke gezondheid - de financiële problemen van de kraton op te lossen. In overleg met het ministerie van toerisme, dat inmiddels meebeslist over het paleis, besloot de vorst deze zomer de zuidelijke en zuidwestelijke vleugel van de kraton, met inbegrip van de keputren, beschikbaar te stellen voor de bouw van een vier-sterren-hotel. Het project zal worden gegund aan een consortium waarin Bimantara Citra, het concern van Bambang Trihatmojo, een zoon van president Soeharto, de toon aangeeft. In ruil voor de bouw- en exploitatierechten krijgt de kraton twintig procent van de aandelen in het project.

Gouden enkelband

Ik ontmoet de prinses voor het eerst in Jakarta, in het huis van een gehuwde jongere zuster. In spijkerbroek en blouse, haar lange haren los en op blote voeten staat ze in de deuropening. Alleen de gouden enkelband verraadt haar koninklijke status. Haar Indonesisch is doorspekt met Hoog-Javaans, maar ze spreekt eenvoudig, zonder adellijke maniertjes, en met grote overtuigingskracht.

Boze tongen beweren dat het verzet van de prinses louter is ingegeven door zorg om haar onderdak. Zo zou ze geen bezwaar hebben gemaakt tegen het aanvankelijke voornemen om de vervallen zuidelijke vleugel tot hotel te verbouwen en pas aan de bel hebben getrokken toen het plan herzien werd en de keputren erbij werd gevoegd. Mbak Moer wijst deze suggestie kalm van de hand - ze is kennelijk gewend aan roddel. Wat haar betreft valt er niet te onderhandelen over de omvang van het project. ""Mijn bezwaren zijn van principiële aard. Als dit plan doorgaat, is het afgelopen met het paleis. Dan verliest het zijn sacrale karakter. De kraton strekt zich uit van de noordelijke tot de zuidelijke alun-alun (voorpleinen). Daartussen ligt een complex dat in zijn totaliteit de Javaanse kosmologie belichaamt. Zodra je een deel ervan amputeert, gaat die conceptie verloren.''

Hoewel de prinses al op jonge leeftijd aanvaringen met hem had, praat ze over de vorst met eerbied en mededogen: ""Vader zou op zijn oude dag eigenlijk ontslagen moeten worden van deze zakelijke zorgen. Maar hij stelt geen vertrouwen in zijn kinderen, zeker niet in zijn dochters. Over zijn vijftien zonen is hij kennelijk ook niet te spreken, want hij heeft nog steeds geen troonopvolger aangewezen. Nadat ik tegen journalisten had gezegd dat ik me niet kon voorstellen dat vader instemde met een hotel in de keputren, heeft hij een familiebijeenkomst belegd. Daar mochten we alleen luisteren en geen vragen stellen. Hij liet zich kennelijk dicteren door de investeerder, die geschrokken was van mijn uitlatingen in de krant.''

Met alle respect voor haar vader, Mbak Moer houdt voet bij stuk. ""Hij handelt overhaast en schaadt daarmee niet alleen de familie, maar alle Indonesiërs, want de kraton is ons gemeenschappelijk erfdeel. Vader beschouwt mij intussen als mbalelo (opstandig). Hij zet geen voet meer in het paleis zo lang ik er woon, heeft hij gezegd, en ik ben niet van plan te vertrekken.''

Gespleten ziel

Vorst Paku Buwono XII verdient enig mededogen. Toen hij de troon van Surakarta besteeg, was hij nog geen twintig jaar oud. Dat was in 1945, enkele maanden voordat in Jakarta de onafhankelijkheid werd uitgeroepen. De Solonezen noemen hem dan ook Sinuwun Hamardika, "vorst van de vrijheid'. Zelf is hij onvrijer dan ooit. Na bijna vijftig jaar republikeins koningschap is hij een eenzaam mens met een gespleten ziel; loyaal aan de Indonesische staat, maar ook trouw aan een eeuwenoude gelofte.

Die dateert uit de hoogtijdagen van Mataram, een moslim-rijk dat in 1586 werd gesticht door de legendarische Senopati en in de zeventiende eeuw bijna heel Java beheerste. Paku Buwono XII voert zijn afstamming rechtstreeks terug op deze eerste grote moslim-koning van Java, die volgens de legenden ook erfgenaam is van een middeleeuwse hindoe-rijk. Die tweeslachtigheid is kenmerkend voor de Javaanse hofcultuur. De susuhunan van Surakarta is moslim, maar zijn paleis is het centrum bij uitstek van de Hindoe-Javaanse mystiek.

Onder Sultan Agung, een kleinzoon van Senopati, bereikte Mataram het hoogtepunt van zijn macht. De sultan poogde in 1628 vergeefs de Vereenigde Oostindische Compagnie uit Batavia te verdrijven. Toen hij zijn levenseinde voelde naderen, kreeg hij bezoek van Dewi Loro Kidul, de door Javanen vereerde Godin van de Zuidzee, een personage uit het hindoe-pantheon. Soms noemt men haar nyai (concubine), omdat zij gedurende enkele dagen de liefde bedreef met stamvader Senopati, maar aan het hof van Surakarta noemt men haar Kanjeng Ratu (Hare Majesteit de Koningin).

""Mijn vorst'', sprak de godin tot Sultan Agung, ""mijn troon behoort U; binnenkort gaat U naar de Kraton van de Duizend Gouden Pilaren.'' Waarop de koning zei: ""Dat kan ik niet doen, ik ben moslim. Ik moet terug naar mijn Heer. Maar omdat U, vereerde koningin, niet gebonden bent aan de dood, vertrouw ik U mijn land toe.'' ""Dat is goed'', luidde haar antwoord, ""ik zal mij ontfermen over Uw land, zolang U en Uw nazaten de Bedaya Ketawang in ere houden.'' Deze dans werd sindsdien een heilig ritueel aan het hof van Mataram en is dat tot vandaag in de kraton van Surakarta. De Bedaya Ketawang wordt één keer per jaar opgevoerd, op de verjaardag van de kroning van Paku Buwono XII, en verbeeldt diens mystieke verbintenis met Dewi Loro Kidul. De vorst zit twee uur stil op zijn gouden troon, totdat de sacrale dans is afgelopen.

Volgens ingewijden aan het hof verklaart deze gelofte van zijn voorvader de diepe tweespalt in de ziel van de susuhunan. Hij was officier in het republikeinse leger en erkent de soevereine macht van Jakarta, maar hij houdt vast aan het troonritueel van Mataram. Daarmee garandeert hij immers de spirituele bescherming van zijn land en volk.

Wahyu

Volgens de Javaanse kosmologie ontleent de vorst zijn vermogen om te regeren aan wahyu, een mystieke kracht die van goddelijke oorsprong is. De vorst dankt zijn legitimiteit dus aan de gunst der goden en niet aan die van zijn onderdanen. Succesvolle machtsuitoefening bewijst dat de vorst over "de kracht' beschikt.

Volgens de overlevering zijn er verschillende bronnen van wahyu. In de eerste plaats de persoon van de vorst zelf, vervolgens de plek waar de troon staat en in de derde plaats de zogenaamde pusaka, amuletten die variëren van kostbaarheden als gouden familiekrissen en gamelans tot stenen en zakjes zand. Op Java leeft de mythe dat de troon na een bepaalde periode moet worden verplaatst, want op den duur verliest een plek zijn magische kracht en moet de vorst met al zijn pusaka verhuizen.

In het jaar 1745, onder de regering van Paku Buwono II, de laatste vorst van Mataram, werd het paleis in Kartasura door de VOC aan puin geschoten. De koning besloot dat die plaats zijn wahyu had verloren en de troon werd in een grote processie overgebracht naar een plaats aan de Solo-rivier. Daar werd een nieuw paleis opgetrokken - de huidige kraton - dat Surakarta Hadiningrat ging heten. In 1755, na de dood van Paku Buwono II, viel Mataram uiteen.

Twee pretendenten, Paku Buwono III en een jongere broer van zijn vader, Prins Mangkubumi, stichtten ieder een eigen staat. De eerste werd vorst van het rijk Surakarta met als centrum de kraton in Solo, en Mangkubumi stichtte in Yogyakarta een eigen vorstendom, waarvan hij sultan werd.

Daarmee was tevens de strijdvraag opgeworpen welke vorst de "ware voortzetter' is van het rijk Mataram. Op grond van het Javaanse gewoonterecht is het moeilijk te bepalen wie de "echte' pusaka heeft en zich daarom de legitieme erfgenaam mag noemen. Zowel de susuhunan als de sultan heeeft originele erfstukken. De Hollanders gaven echter voorrang aan het meer volgzame Surakarta, dat tijdens de Java Oorlog (1825-30) de Nederlandse kant koos in een conflict met Yogyakarta.

Curatele

Dr. Onghokham, historicus en javanoloog, vertelt hoe na 1830 de macht van Mataram verwaaide: ""De Java Oorlog had de Nederlandse schatkist veel geld gekost en in Batavia dacht men: als we de politiek nog langer overlaten aan deze vorsten, wordt het straks weer oorlog. Dus werden ze onder curatele gesteld. Zij bleven aan, ze kregen alle status die ze wensten, maar ze hadden geen macht meer. Het merendeel van hun geweldige paleizen dateert van de negentiende eeuw. Met hun Italiaanse marmer, Hollands glas-in-lood en Parijse beeldjes van de laatste exposities. Ze hielden hof in grote staat en legden zich toe op pronk, kunst en seks - heel leuk.''

Ondanks hun feitelijke machtsverlies genoten de Javaanse vorsten onder de bevolking blijvend ontzag. Dr. Ong: ""Paku Buwono X van Surakarta (1893-1939) wordt wel de laatste koning van Java genoemd. Hij hield van uitstapjes en werd overal groots verwelkomd. Rond 1900 maakte hij een reisje naar Semarang. Miljoenen mensen uit het volk hurkten langs de wegen. Die geestdrift hing samen met de stemming rond de eeuwwisseling. Sinds 1830 was er geen Javaanse held meer. Er waren de voor de Javanen drukkende plantages, de suikerprijzen, verder niets. En dan opeens verscheen een vorst. De Tiende reisde met groot gevolg: zijn familie - hij had veertig concubines en vierenzestig kinderen - en zijn lijfwachten. Dat wekte een gevoel van trots. Er was een Javaan die meer voorstelde dan de gouverneur-generaal, de Chinese kapitein of de opzichter van de suikerfabriek.

""Als de Nederlanders werkelijk iets van de vorsten wilden, konden dezen onmogelijk weigeren. Als een vorst de troon besteeg, moest hij eerst een contract tekenen met de Nederlanders over gezagsverhoudingen en financiën; dat was zijn laatste machtsmiddel. Politiek was een vorstelijke hobby, maar het was een spel om het spel zelf, dus zonder veel verantwoordelijkheid. Er werd alom geflirt, met de nationalistische beweging, met de islamieten, met Soekarno, maar veel resultaat had het niet.''

Kind-koning

Paku Buwono XII had de troon nog niet bestegen of de revolutie brak uit.

In die maalstroom hield hij zijn mooie hoofd met moeite boven water en nam hij een aantal funeste beslissingen. Dr. Ong: ""Hij was nog een kind, hij wist van niets. In die eerste jaren stond hij in feite onder curatele van zijn oom, de vizier, en zijn moeder, de gemalin van de jong gestorven Elfde. Zij was een dominante vrouw en gaat in de kraton tegenwoordig door voor een heiligheid.''

Meteen na de proclamatie van de Indonesische onafhankelijkheid door Soekarno en Hatta, op 17 augustus 1945, zonden de Middenjavaanse vorsten aanhankelijkheidsverklaringen naar Jakarta. De boodschapper uit Solo, zo vertelt men in de kraton, werd onderweg "door de communisten' vermoord. Ong: ""Tot op heden staat de sultan van Yogya bekend als een republikein van het eerste uur en heeft de susuhunan nog steeds de naam op het verkeerde - Nederlandse - paard te hebben gewed. Aan het begin van de revolutie deed Yogyakarta mee met alle politieke en landhervormingen, terwijl het hof van Surakarta alles tegenwerkte. Of men zo pro-Nederlands was, weet ik niet, maar de vorst had tijdens de revolutie veel moeite met zijn opstandige bevolking. Die rebelleerde aanvankelijk tegen de koning, maar uiteindelijk was die niet relevant meer, zodat de opstand zich keerde tegen de Republiek. In Yogyakarta zetelde de nationalistische regering en Solo werd het centrum van de linkse oppositie. Dat heeft de kraton parten gespeeld.''

Een van de trouwste hovelingen van Surakarta is Kanjeng Raden Tumenggung ("regent') Hardjonagoro, geboren Go Tik Swan, kleinzoon van een Luitenant der Chineezen, batik-kunstenaar en al meer dan vijfentwintig jaar directeur van het kraton-museum. "Mas Go' bezocht de Europeese Lagere School met Solonese prinsen, onder wie de aanstaande koning, is kind aan huis in het paleis en werd vanwege zijn verdiensten voor de Javaanse cultuur door de Twaalfde in de adelstand verheven. Hardjonagoro: ""De jonge koning stond niet alleen onder invloed van zijn moeder, een formidabele vrouw, maar hij luisterde in politieke zaken vooral naar zijn patih (vizier, rijksbestuurder) en dat was veel funester.''

De benoeming van een patih vereiste sinds 1743 de toestemming van de VOC en later van het Hollandse gouvernement; zij waren de zetbazen van Batavia. Dat was de reden waarom sultan Hamengkubuwono IX van Yogyakarta bij zijn troonsbestijging in 1940 weigerde een patih te benoemen. Hardjonagoro: ""Yogya was als hoofdstad van de Republiek onaantastbaar en Solo werd de dupe. Ten eerste omdat de susuhunan nog zo jong was. En in de tweede plaats vanwege patih Sosrodiningrat IV, een Hollands opgeleide indoloog, die zich verre hield van het republikeinse milieu, omdat hij bang was naar Yogya's voorbeeld aan de kant te worden gezet.''

Hardjonagoro noemt een pikant voorbeeld: ""Nog geen jaar na de proclamatie kwam Hamengkubuwono IX naar Solo. De sultan stelde mijn susuhunan voor om Mataram te herenigen met de status van zelfbesturende provincie binnen de Republiek. Hij zei: laten wij Yogya en Solo bijeenbrengen; U wordt als eerste vijf jaar gouverneur, dan ik vijf jaren en de volgende periode U weer. Het antwoord van Solo was, jammer genoeg, het antwoord van de patih. Die zei: dat kan niet, Sri Sunan, want U kunt nooit tweede man worden onder de sultan. U weet dat de koloniale regering het hof van Surakarta altijd hoger heeft gesteld dan het hof van Yogyakarta. Dus weigerde de jonge koning; een gemiste kans.''

Toen Solo in 1948 werd herbezet door de republikeinse troepen werd het zelfbestuur, dat Surakarta net als Yogyakarta in 1945 had gekregen, door de republikeinse resident in Solo "voorlopig buiten werking gesteld'. In 1960 verloor de kraton Surakarta alle bestuurlijke bevoegdheden en was de susuhunan politiek uitgespeeld. Yogyakarta heeft tot op heden de status van daerah istimewa, een provincie met bijzondere bevoegdheden op cultureel gebied. Solo niet.

Profetie

De wereldlijke macht was verwaaid in de storm der geschiedenis, maar de vorst zat jaarlijks op zijn gouden troon, hield de Bedaya Ketawang in ere en de pusaka werden verzorgd. Sommigen beweerden echter dat ook de wahyu inmiddels was vergaan en verwezen naar een profetie uit 1745. Had niet een ziener gewaarschuwd dat de kraton binnen tweehonderd jaar moest verhuizen om de wahyu te vernieuwen? Aan het hof glimlachte men om dit verhaal; daar wist men wel beter.

In de jaren dertig had Paku Buwono X in het diepste geheim besloten tot een symbolische verhuizing. De vorst liet achter het oude paleis, maar binnen de muren een heuveltje aanleggen, een lusthof van rotsen en planten. Ten westen van die "berg' liet hij een nieuwe vleugel bouwen, het Kedaton Kulon (Westelijke Paleis) en hij gaf opdracht de pusaka daarheen over te brengen. Zo was de kraton "naar het Westen verhuisd' en was de wahyu vernieuwd. Maar hoe stond het met de vorst? Genoot hij nog immer de gunst der goden?

Paku Buwono XII was zelden in het paleis; hij verkoos de vergetelheid van Jakarta - bowling-halls en huizen van lichte zeden - boven het strenge hofleven met zijn dagelijkse offerplichten. Over de seksuele uitspattingen van de susuhunan circuleren vele verhalen. De vorst ging er prat op ""alle soorten lichamen te hebben geproefd, met uitzondering van blinden en waanzinnigen''.

De inkomstenbronnen van de Kraton Surakarta Hadiningrat droogden op en het hof verloederde. De oude koningin-moeder, de "formidabele' Kanjeng Ratu Paku Buwono XI, liet tegen een vertrouweling deze waarschuwing horen: ""Zolang ik leef, gebeurt er niets; maar pas op als ik er niet meer ben.''

In 1984 stierf de oude dame. Nog geen jaar later, in januari 1985, ontstond een uitslaande brand in de Dalem Ageng, het hart van de kraton, met zijn djati-houten paviljoenen en kostbare antieke meubilair. De spuitwagens van Solo rukten ogenblikkelijk uit, maar konden niet door de paleispoort. De brandweerlieden weigerden dit symbool van bovenwereldlijk gezag neer te halen en de helft van de kraton brandde af. De koning, toevallig aanwezig, brak een ruit en wist een gouden kris te redden voor de vlammen.

Gusti Koes Moertiyah herinnert zich de ramp als de dag van gisteren: ""Het was een donderdagavond, die Javanen plegen door te brengen met mediteren; ik doe dat meestal op een plekje langs de Solo-rivier. Ik had net bloemen gekocht op de markt, toen een vriendin me vertelde dat de kraton in brand stond. Ik rende terug en toen ik zag hoe hoog de vlammen opschoten, ben ik flauwgevallen; meer dan twee uur lang was ik bewusteloos. Toen ik weer bijkwam, lag de halve kraton in de as.

""Oorzaak van de brand'', zegt Mbak Moer, ""was een kortsluiting in de ondeugdelijke elektrische installatie van de oudste vleugel. Uit mystiek oogpunt waren er al verschillende influisteringen geweest die beduidden dat er iets groots stond te gebeuren in de kraton. Drie uur voordat de brand uitbrak, belde vader mij op. Moer, zei hij, zeg tegen Mas Behi (prins Hangabehi, de oudste zoon) dat hij vanavond niet de kamer van de pusaka binnengaat; ik wil dat zelf doen. Dat was vreemd, want die opdracht had hij Mas Behi eerder zelf gegeven. Die dinsdag had vader tegen mij gezegd dat er iets ging gebeuren waarvan de mensen zouden schrikken en dat ik me daarop geestelijk moest instellen. Hij had een dwerg ontmoet die hem had gemaand de hele familie voor te bereiden, want "de tijd was aangebroken'.

""Toen de brand was uitgewoed, kwam vader naar mij toe. Ik weet niet of u dit gelooft, maar omdat ik aan het hof degene ben die het meeste danst, sta ik in nauw contact met Kanjeng Ratu Kidul (de majesteit van de Zuidzee), aan wie in het paleis op drie plaatsen wordt geofferd. "Moer', zei vader, "ga jij naar de zee om Grootmoeder te vragen of zij hiertoe bevolen heeft.' Ik ging naar Parangkusumo [de plaats aan de zuidkust waar Senopati enige tijd zou hebben samengeleefd met Dewi Loro Kidul en waar een omheind heiligdom is, red.]. Het duurde geen vijf minuten of Grootmoeder kwam. Ze zei alleen dit: "Tak Obong - de brand is mijn werk -, want de Javanen zijn vergeten dat ze Javanen zijn'.

Ngandikone ngono - Dat waren haar woorden.''

Om de Majesteit gunstig te stemmen werden dertig vrachtwagens vol paleis-as naar het zwarte strand van Parangtritis gereden en daar toevertrouwd aan de Zuidzee. Na de grote brand dacht menigeen dat dit het einde was. Maar nee, zei men aan het hof, de wahyu van Mataram is in de jaren dertig verplaatst naar het Kedaton Kulon en dat is gespaard gebleven. Volgens de oude concepten bestaat de monarchie zolang er nog een legitieme vorst is, de sacrale plek ongeschonden is en de pusaka worden verzorgd.

Restauratie

Toen het nieuws van de Grote Brand Jakarta bereikte, nam president Soeharto twee opmerkelijke beslissingen. Hij stond zes maanden van zijn salaris af voor de restauratie van het paleis en benoemde een Commissie voor de Wederopbouw van de Kraton Surakarta. Voorzitter werd generaal Surono Reksodimedjo, voormalig commandant van het militaire district Midden-Java. Onder de commmissieleden waren louter Javanen met hoge posities binnen Soeharto's Nieuwe Orde: generaal L.B. Moerdani, destijds chef-staf van de Indonesische strijdkrachten; minister van informatie en Soeharto-vertrouweling Harmoko; de zakenman Sudwikatmono, een neef van de president, en twee Solonezen: majoor-generaal Soedjono Hoemardani, persoonlijk adviseur van Soeharto, en prof.dr. Subroto, toen minister van mijnbouw en energie, nu secretaris-generaal van de OPEC.

In 1987 werd in aanwezigheid van Moerdani en Harmoko een plechtig begin gemaakt met de restauratie. Die is inmiddels voltooid, met uitzondering van de Sasana Handrawina (Plaats van Luister, de voormalige eetzaal voor de gasten), waarvan alleen het fundament rest. Als tegenprestatie voor deze overheidsbijdrage aan de wederopbouw van de kraton kreeg de directeur-generaal voor toerisme een stem in de nieuw gevormde beheersraad.

Bij presidentieel besluit nr. 23 van 1988 vervielen alle voormalige bezittingen buiten het gebied van de kraton aan de staat en werd het areaal omschreven, waarop het paleis eigendomsrecht kan laten gelden en waarvan het de bestemming bepaalt: het gebied tussen de Jalan Slamet Riyadi in het Noorden en de zuidelijke alun-alun. In feite is dit het gebied tussen de poorten, met inbegrip van de Grote Moskee en de Pasar Klewer, een nieuwe, levendige markt voor de paleispoort, waarvan de gemeente Solo overigens de pachtsom opstrijkt. Bij gebrek aan uitvoeringsbepalingen voor het decreet 23/1988 gaat het plaatselijk bestuur nog steeds zijn goddeloze gang.

Hoveling

Het is met de restauratie als met de brand zelf: er is een "logische' en een "mystieke' verklaring. Voor Westerse begrippen ontfermt de president zich over een bedreigd cultuurmonument en eist de overheid in ruil daarvoor een zakelijke stem in het kapittel. Er is hoogstens wat snobisme in het spel.

Maar voor menige hoveling is er meer aan de hand: alles - van de restauratie tot en met het hotelplan - zou draaien om de wahyu van Mataram. Sinds 1945 (twee eeuwen na de Grote Processie van 1745!) belichaamt de president der republiek de hoogste macht in het land. Volgens het Javaanse machtsbegrip zijn alle lagere mandala (machtscentra), dus ook de vorsten, niet onder hem, maar in hem. Met de symbolische afdracht van een half jaar presidentieel salaris zou Soeharto meester zijn geworden van de pusaka. Door zijn zoon een hotel te laten bouwen dat uitkijkt over het Kedaton Kulon - het heiligste der heiligen - zou hij toegang krijgen tot de sacrale plek zelve.

Het is maar hoe je het bekijkt en wie er kijkt. Soeharto is geboren in een kleine Middenjavaanse desa, met een Javaanse boer als stiefvader, en kreeg zijn middelbare opleiding aan een school van de moslim-beweging Muhammadiyah. Hij ging in het leger (toen nog het KNIL) omdat "hij de wereld wilde zien', zei hij ooit tegen een journalist. Na de Japanse bezettng van Nederlands-Indië trok hij het Nederlandse uniform uit en nam hij dienst in de Peta (beschermers van het vaderland), een vrijwilligerscorps van Indonesische jongeren, onder leiding van Japanse officieren. Dat was de bakermat van het latere republikeinse leger, waarin Soeharto tijdens de bevrijdingsoorlog opklom tot kolonel. In die jaren koos hij zich een adellijke bruid: Siti Hartinah (Moeder Tien), een verwante van de Mangkunegaran van Solo, een kleine vorst en een verre achterneef van de susuhunan.

Dat alles maakt deze president "Javaanser' dan zijn voorganger Soekarno, met zijn Oostjavaans-Balinese achtergrond en zijn Hollandse opleiding aan de Technische Hogeschool van Bandung. Sommige waarnemers waarschuwen echter voor mystificaties: sinds Soeharto "de wereld heeft gezien', zou zijn denken aanzienlijk zijn geseculariseerd. Anderen zien eerder het tegendeel en wijzen erop dat Soeharto zich na zijn benoeming tot president in 1967 meteen omringde met een schare Javaanse mystici. Eén van hen was de in 1986 overleden majoor-generaal Soedjono Hoemardani, formeel economisch adviseur van de president, maar informeel diens spirituele mentor.

Het is een publiek geheim dat Soedjono kort na 1967 van zijn baas de opdracht kreeg om de belangrijkste pusaka uit de kraton van Surakarta over te brengen naar Jakarta. Ingewijden weten te melden dat ze weer terugkwamen zodra Soeharto zijn persoonlijke wahyu sterk genoeg achtte. Hoe ouder Pak Harto wordt, des te Javaanser doet hij zich voor. Zo herinnerde hij er twee jaar geleden aan dat hij volgens de Javaanse jaartelling ouder is dan de christelijke aangeeft. En vorig jaar greep hij een bijeenkomst met ambtenaren op zijn privé-boerderij aan voor een urenlange uiteenzetting over de Javaanse kosmologie. Een ingewijde aan het hof van de susuhunan meent dat er inmiddels ""een mystieke rode draad is gesponnen tussen de kraton Surakarta en het Cendana'', de ambtswoning van de president. Het blijft gissen, want, zoals wijlen Soedjono Hoemardani eens losliet tegen een journalist: ""Wie wahyu heeft, praat daar niet over''.

Eerlijke verdeling

Inmiddels bekommert Gusti Koes Moertiyah zich minder om machtsvragen dan om het voortbestaan van de kraton als ""brandpunt en hogeschool van de Javaanse cultuur''. Ze zegt geen politieke ambities te koesteren - ""ik ben maar een prinses'' -, maar pleit voor een eerlijke verdeling van lasten en lusten tussen kraton en republiek. ""Jakarta heeft de kraton afgesneden van zijn traditionele bronnen van inkomsten. Daarmee is het medeverantwoordelijk geworden voor het voortbestaan van het hof als hoedster en kweekplaats der Javaanse filosofie.''

In de uitlatingen van de prinses klinkt een pleidooi voor een "vreedzame coëxistentie' tussen het centrum van de politieke macht en de zetel der traditie: een complementaire relatie, waarin beide partijen zich onthouden van inmenging in elkaars aangelegenheden en zo tevens de voorwaarden scheppen voor elkanders voortbestaan. Dat is tevens de essentie van Mbak Moers verzet tegen het hotelplan: zij beschouwt dit als een doordringing van de republikeinse macht in het mystieke hart van de Javaanse cultuur. Zo bezien gaat het niet om vierkante meters, maar om beginselen.

De prinses pleit voor uitvoering van het presidentiële besluit van 1988, waarmee de zeggenschap over het daarin omschreven kraton-domein daadwerkelijk in handen komt van het hof, met inbegrip van de pachtopbrengst uit de Pasar Klewer. De kraton moet volgens haar zakelijk op eigen benen kunnen staan en geen minderheidsaandeelhouder worden in eigen huis, want dat is het uiteindelijke resultaat van het hotelplan.

De tragiek van de huidige paleisruzie ligt in de tweespalt tussen de vader, die het fysieke voortbestaan van het paleis denkt te redden door het uit te besteden aan "Jakarta', en de dochter, die de kraton niet alleen wil behouden als museum, een fraaie collectie historische stukken, maar als levend centrum van de Javaanse cultuur. Hier wreekt zich de dynastieke logica: mochten de mannelijke troonpretendenten bezwaren hebben tegen de plannen van hun vader - en Mbak Moer weet dat die er zijn -, dan doen ze er het zwijgen toe uit angst de koninklijke gunst te verspelen.

In de kraton is opnieuw een "formidabele vrouw' opgestaan. Haar stem vindt ook buiten de paleismuren weerklank: van 6 tot 9 oktober hielden studenten van de plaatselijke universiteit en in Solo geboren Jakartanen een demonstratieve wake op de noordelijke alun-alun. Hun eis was niet zozeer gericht tot de koning, als wel tot Jakarta: "Handen af van de kraton'.

Het is tijd om te gaan. Gusti Koes Moertiyah neemt weer plaats tussen muzikanten en zangeressen en hervat de dansles. Voortzetting van een levende traditie, daar is het haar tenslotte om te doen. Als ik door de paleispoort naar buiten loop, kijk ik nog even om. Uit het Paviljoen van Smaragd wuift de prinses ten afscheid.

    • Dirk Vlasblom