DE ALLEDAAGSE FASCINATIE VAN HET FASCISME

Der schöne Schein des Dritten Reiches. Faszination und Gewalt des Faschismus door Peter Reichel 452 blz., geïll., Carl Hanser Verlag 1991, f 78,20 ISBN 3 446 14846 9

Die Zeit der Illusionen. Hitler und die Anfänge des Dritten Reiches 1933-1936 door Heinz Höhne 447 blz., geïll., Econ Verlag 1991, f 55,20 ISBN 3 430 14760 3

Het gegeven dat de woorden fascisme en fascinatie veel op elkaar lijken, wordt vaak verdrongen, maar biedt wel degelijk een handvat om het succes van Hitler bij de Duitsers te verklaren. De ontdemonisering van de Führer werd weliswaar al begin jaren zestig ingezet met de groeiende aandacht voor het alledaagse kwaad van de doorsnee-nazi - Hannah Arendts typering "Banalität des Bösen' werd het trefwoord - maar het bleef verleidelijk om Hitler alle schuld van het Duitse onheil te geven.

Zo heeft de wetenschap welhaast elke vezel van Hitler blootgelegd en is zijn hele Derde Rijk van voren naar achteren en terug bestudeerd, maar de aandacht is nog altijd meer gericht op het tweede gedeelte van het twaalfjarige rijk, de feitelijke oorlogsjaren, dan op het eerste. Bovendien lijkt de kern van die eerste zes jaar nog ongrijpbaar, ook in de literaire verbeelding. Terwijl er boeken zijn die wel de essentie van bijvoorbeeld de Eerste Wereldoorlog of het Stalinisme hebben geraakt, heerst er in de literatuur nog altijd een soort verlamming als het om de opkomst van het nazisme gaat.

Deze verlamming komt wellicht voort uit het besef dat een deel van de kern van het nazisme wordt gevormd door de enorme fascinatie van het Duitse volk met Hitler. Die fascinatie resulteerde in de massale steun tijdens "Hitlers goede jaren', zoals Sebastian Haffner de aanvangs-periode noemde - en daarvoor is nog geen literaire vorm gevonden. Wel werd in verscheidene films de fascinerende zijde van het fascisme - de verknoping van verlokking en dwang, van verleiding en misdaad - een populair thema. In bijvoorbeeld Syberbergs "Hitler, ein Film aus Deutschland', Fassbinders "Lili Marleen', Visconti's "The Damned' en Cavani's "The Night Porter', bleek dat de combinatie van nostalgische dromerij, seksuele fantasie, diepe angsten, matte hoop en zucht naar het spectaculaire zijn aantrekkingskracht niet had verloren.

MASSALE INSTEMMING

Enige tijd geleden verschenen ook twee geschiedkundige boeken die de fascinatie van het nazisme proberen te ontrafelen. Zo beschrijft Heinz Höhne ("dossier'-redacteur van Der Spiegel en auteur van het veelgeroemde boek uit 1978 over de SS: Der Orden unter dem Totenkopf) in Die Zeit der Illusionen de eerste vier jaar van Hitler: van de gelijkschakeling, de uitschakeling van de SA, de enscenering van de Olympische Spelen van 1936, tot en met de aankondiging later dat jaar van het vierjarenplan, dat Höhne als begin van de oorlogsvoorbereiding ziet.

Vooral in de snelle vermindering van de werkloosheid, de "Arbeitsschlacht', het eerste Duitse "Wirtschaftswunder' dat Hitler volgens Keynesiaans recept tot stand bracht, ziet Höhne de reden voor de massale instemming met Hitler. Deze economische opbloei èn de uitschakeling van de rabauwen van de SA zorgden voor de "normaliteit' die rond 1935 in Duitsland scheen te heersen. De levensstandaard steeg, het optimisme nam toe - in 1935 keerden zelfs circa 10.000 emigranten, meest joden, naar Duitsland terug! - en dat huiselijke geluk domineerde de afkeer van de criminele praktijken van het regime die toch overal zichtbaar waren.

Höhne legt de nadruk op de "Revolution von unten'. De baantjesjagers aan de basis van de partij, de "mini-Führer', probeerden, eenmaal op een comfortabel plekje beland in de groeiende economie, het uitdijende bestuur of de zich uitbreidende strijdkrachten, zoveel mogelijk persoonlijke macht en invloed te gelde te maken. En zij konden dat ook doen omdat er veel minder aanwijzingen van bovenaf kwamen dan wel wordt aangenomen. Duitsland was weliswaar een totalitaire staat, betoogt Höhne, maar vooral ""een georganiseerde chaos''. De "Führer-cultus' moest deze chaos structuur geven en, toen dat niet lukte, gewoon bedekken. De politiek tegenover de joden diende volgens Höhne als bliksemafleider om de nazi's die gefrustreerd waren geraakt in de ellebogenstrijd op weg naar boven, tevreden te houden.

In zijn boek biedt Höhne geen schokkend nieuwe inzichten, maar geeft wel een zeer plastische beschrijving van de samenhang tussen de schijn en werkelijkheid van het Derde Rijk. Juist deze samenhang staat geheel centraal in Der schöne Schein des Dritten Reiches van Peter Reichel (politicoloog aan de universiteit van Hamburg), een boek waarin de cultuurpolitiek en de esthetische dimensie van het Derde Rijk systematisch beschreven en geanalyseerd worden. Volgens Reichel gaat het hier om een van de kernen van het succes van het nazi-regime: ""De esthetisering van politiek en maatschappij was de complementaire strategie van het fascistische geweldsregime.'' Aan de hand van de kunst, de techniek, de propaganda, het amusement, het werk, de vrije tijd, de sport en de architectuur laat hij de wisselwerking van magie en macht in het Derde Rijk zien. Het resultaat is hoogst interessant.

Het fascisme werd gepresenteerd als een anti-moderne mythe met drie hoofdelementen: Volk, Führer en Reich. In de praktijk van alle dag was er evenwel sprake van een heftige modernisering van de Duitse maatschappij. De verering van techniek, industriële produktie, sport en massacultuur nam roesachtige proporties aan. Thomas Mann zag vanuit Californië deze versmelting van vooruitgangsgeloof met ondergangsstemming, van Duitse levensfilosofie met Amerikaanse levensstijl en moderne overredingstechnieken, heel goed toen hij tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog schreef: ""Juist dit was het karakteristieke en bedrieglijke, de vermenging van robuuste eigentijdsheid, prestatiegerichte vooruitgang en de droom over het verleden, de hoogtechnologische romantiek''.

LEVENSVREUGDE

De Amerikaanse historicus Jeffrey Herf heeft deze onontwarbare verknoping in het Derde Rijk van technische moderniteit en reactionaire geesteshouding samengevat in de formule ""reactionaire moderniteit'' en deze formule is de leidraad door Reichels boek. Dat dit ideaal van ""reactionaire moderniteit'' effectief was op het gebied van de massacultuur, lag volgens hem niet in de laatste plaats aan het feit dat de nazi-leiding haar streven naar technische vooruitgang en industriële groei verbond met het verfraaien van het dagelijkse leven en de cultus van de natuur. In dit concept van "levensvreugde' hadden het massaverkeer, de massaproduktie van consumptieartikelen en ook het Kraft-durch-Freude-massatoerisme en de massasport een hoge prioriteit.

Het nationaal-socialisme mag dan een protest geweest zijn tegen de ideeën van 1789, tegen de smaad van 1918, tegen het culturele modernisme en de "onttovering' van de wereld in het algemeen, het nazi-regime dankte zijn succes - naast de terreur - in hoge mate aan de creatie van een esthetische fascinatie op al deze terreinen van moderne massacultuur. Dat werkte mobiliserend en integrerend, en verdoezelde tegelijkertijd het eigenlijke politieke doel: de ontketening van een veroverings- en vernietigingsoorlog.

Een voorbeeld daarvan is de wijze waarop Albert Speer in 1935 zijn plan bedacht om het partijcongres in Neurenberg te omringen door 130 schijnwerpers, die acht kilometer de lucht in schenen. Het halfduister op de grond moest verdoezelen dat de dikbuikige NSDAP-leiders niet veel weg hadden van de ""nieuwe Duitse mens'', die volgens Hitler ""snel als windhonden, taai als leer en hard als Kruppstaal'' was. Het effect van deze Hollywood-achtige "kathedraal uit ijs' was wel degelijk wederopwekking van het verloren gegane gevoel van "Volksgemeinschaft'.

Reichel beklemtoont dat de cultuurgeschiedenis van het Derde Rijk veel sterker verbonden is met de Weimar Republiek en het naoorlogse Duitsland dan wel verondersteld wordt door hen die zich vóór alles fixeren op de zogenaamde keerpunten 1933 en 1945. Men hoeft niet zo ver te gaan om te zeggen dat het expressionisme van de jaren twintig tot het fascisme voerde, om toch enige verbindingen tussen beide stromingen te zien, aldus Reichel.

Veel cultuuruitingen uit de Weimar Republiek bleven onder Hitler gewoon bestaan. De nazi's wilden wel een nationaal-socialistische kunst en cultuur creëren, maar slaagden daar in de praktijk niet in. Goethe en Schiller bleven de theaters en Amerikaanse romans bleven het literaire klimaat beheersen. En uiteindelijk was bijna 85 procent van de circa 1.100 nazi-films niet politiek getint maar vervaardigd onder het motto: ""zware tijden, lichte films''. De radio moest volgens Hitler ""de gehele volksgemeenschap dagelijks en elk uur als een grote familie bijeenroepen''. In 1933 was dat nog om de stortvloed van nazi-propaganda aan te horen, maar dit bleek averechts te werken en zo werd de hoeveelheid propaganda al snel teruggebracht ten gunste van het lichte amusement, type "Wünschkonzert'.

DE AUTO

Ondanks alle gescheld op het "Bauhaus-bolsjewisme' drong in de architectuur en vormgeving het functionalistische modernisme de "völkische', op traditie gebaseerde ontwerpen meer en meer terug. Slanke, symmetrische en zakelijke vormen in fabrieks- en woningbouw bleken de Duitse deugden als orde, schoonheid en vlijt toch beter te kunnen symboliseren dan de rustiek-idyllische Heimatstijl.

De verbinding die hier gelegd werd van arbeid met schoonheid was even revolutionair als geniaal, meent Reichel. De slogans voor betere werkomstandigheden en hygiëne - ""Goed licht - goede arbeid'' of ""Schone mensen in een schoon bedrijf'' - kunnen ook vandaag zo in een postbus 51-spot. Ook in dit opzicht was er in 1945 geen culturele Stunde Null. De continuïteit in arbeidsomstandigheden, in architectuur en stedenbouw was bijna naadloos: licht, lucht en zon bleven uitgangspunt.

Dat geldt evenzeer voor de gebruiksartikelen. Terwijl de verbeelding van de mens en het landschap sterk heroïsch-traditionalistisch bleef, was de vormgeving van de techniek onder de nazi's uiterst modern en esthetisch. De Duitsers waren helemaal gek van de "Volksgeräten': de Agfa-Box, de eerste elektrische keukenmachines, de koelkast, de haardroger en natuurlijk de "Volksempfänger': de VE 301-radio werd het populairste apparaat van het nazi-regime. ""De betekenis van design en produkt-esthetiek in het Derde Rijk kan nauwelijks overschat worden'', aldus Reichel, want niet de economische, maar de ""grote cultuurprestaties'', waartoe ook de techniek werd gerekend, golden als de eigenlijke ""topprestaties van het gemeenschapsleven''.

De massacultuur en welvaartstaat-instellingen moesten een socialistisch vernisje geven aan de nationaal-socialistische Duitse maatschappij. In dat beeld paste ook de auto. Het verschil tussen Reichel en Höhne wat betreft de verklaringswijze van de successen van de ""goede jaren'' van Hitler, toont zich duidelijk in beider analyse van de aanleg der Autobahnen. Volgens Höhne waren deze ""straten van vrede'' niet in het belang van de Reichswehr, en werden ze ook niet naar militair plan aangelegd. De ""motorisering van het Duitse volk was'', schrijft hij, ""eerder een alternatief voor de herbewapening dan een onderdeel van de oorlogsvoorbereiding.'' Het ging volgens hem om niet meer dan een uiterst effectief werkgelegenheidsproject.

Reichel ziet de Autobahnen daarentegen vooral als voorbeeld van de ""reactionaire moderniteit''. Hun ware betekenis lag op het niveau van cultuur, ruimtelijke ordening en symbolische integratie van het volk: als innerlijk verbindingsnet, als ""de klemmen van de volksgemeenschap en instrument van de Reichsbildung''. Dat Hitler met zijn visie van ""een volk op wielen'' aan de geheime verlangens van miljoenen appelleerde, is duidelijk. De uitvoerder van "Unternehmen Reichsautobahn' was Fritz Todt, met Speer een van de belangrijkste technici van het Derde Rijk en een van de invloedrijkste adviseurs van Hitler. Todt zei het zo: ""In de auto is ook de kleine man, wiens aanleg en lot hem niet tot koene veroveraar hebben gemaakt, in staat zelf een kleine ontdekkingstocht te maken''. Het "Autowandern' gaf, zo meende hij, ""een gelukkige tijdloosheid en een gelukkig zich-leiden-laten door het landschap, door de zon, door de natuur''.

FERNWEH

Achter deze idylle ging ook een andere werkelijkheid schuil: de Autobahn kon de "Fernweh' opwekken en de blik al in vredestijd daarheen richten waar voor het ""Volk ohne Raum'' de beloofde ""nieuwe levensruimte'' lag. Het blikken geluk dat Hitler zijn volk gaf in de vorm van de Volkswagen, was dan wel geen directe militaire aangelegenheid, de generaals hadden wel degelijk geëist dat die Kever, na verwijdering van de carosserie, plaats moest kunnen bieden aan drie soldaten, een machinegeweer en een stapel munitie.

Reichels boek zit vol met dit soort dubbelzinnige culturele uitingen en ontwikkelingen van het Derde Rijk. Zijn doel is niets meer of minder dan een nieuwe dimensie aan te brengen in de omgang met de nazi-tijd. Daarom heeft hij, schrijft hij, de gevaarlijk schone schijnwereld van het nazisme, dat hij overigens steeds fascisme noemt, in het blikveld genomen, ook al onderkent hij dat zoiets een riskante onderneming is. Want het gevaar bestaat dat zo'n beschrijving tot een ambivalent mengsel wordt waarin de bedoelde reconstructie van de fascinatie omslaat in een gefascineerde reconstructie, met als conclusie dat het inderdaad ""goede jaren'' waren. Reichel slaagt er evenwel in distantie te bewaren en de werkelijkheid achter de schijn telkens duidelijk te laten zien.

Wel rijzen een paar vragen. De eerste is of zijn concept van esthetisering niet een tè rigide verklaring is voor de culturele werkelijkheid van het Derde Rijk. De ""gestaalde romantiek'' van de moderne techniek, zoals Goebbels het uitdrukte, is bijvoorbeeld ook altijd onderdeel geweest van de Amerikaanse dubbele droom van techniek en natuur. De techniek-verering is dus niet typisch Duits.

Fundamenteler is de vraag of sommige politieke esthetiseringsmechanismen die Reichel zo essentieel acht voor het nazisme - personalisering, mythisering, enscenering en ritualisering - niet eenvoudigweg onverbrekelijk tot de politieke cultuur van de moderne tijd behoren. Want ook buiten Duitsland had men behoefte aan dit soort compensatie voor de onttovering van de wereld, en daar liep het allemaal toch aanzienlijk minder catastrofaal af.

Reichel heeft met zijn boek uiteindelijk dus slechts de helft van de kern van het nazisme geraakt, want de andere helft van die kern bestaat wel degelijk uit de historische Duitse Sonderweg en het geweld zelf. In zijn slotwoord komt Reichel hier zelf voor de zekerheid nog eens op terug: ""We moeten het hulpeloze of huichelachtige moraliseren overstijgen en een gave tot verbeelding van het kwade ontwikkelen. Tussen het onvermogen om het kwaad in te denken en de, elke voorstellingskracht overstijgende moord op miljoenen mensen, bestaat een verband. Niet te veel, nee, te weinig fantasie heeft het verschrikkelijke voortgebracht''.

    • Henri Beunders