Consument heeft weinig te vrezen van hormoonvlees

ROTTERDAM, 24 OKT. Wat het misbruik van groeibevorderaars in de rundveehouderij betreft neemt het ministerie van landbouw zowel het goede als het slechte nieuws voor zijn rekening. Vorig jaar liet staatssecretaris Gabor in een brief aan de Tweede Kamer (27 juni) nog weten dat de ontwikkelingen hem zorgen baren; de afgelopen dagen wees de voorlichting van het ministerie vooral op de gunstige uitslag van het permanente aselecte onderzoek naar aanwezigheid van groeibevorderaars onder rundvee. De Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) heeft dit jaar, volgens het ministerie, in 2600 urinemonsters maar éénmaal een groeibevorderaar gevonden.

Maar in 1991 meldde Gabor dat er in de eerste helft van dat jaar van de 1.143 aselect onderzochte runderen in slachthuizen 10 met clenbuterol-achtige middelen bleken behandeld. (Voor 1990 waren de getallen 1.500 en 8). Men dient daarbij te bedenken dat de meeste boeren lang voor ze hun koeien laten slachten stoppen met toediening van groeibevorderaars. Zeker als die uit natuurlijke hormonen bestonden is daarvan geen spoor meer terug te vinden in het slachthuis. Alleen bij noodslachtingen loopt men tegen de lamp. Ingewijden menen bovendien dat kleinere slachterijen nogal eens aan inspectie ontsnappen.

Wie weet dat er jaarlijks in Nederland ongeveer een miljoen runderen (afgemolken koeien en vleesrunderen) en een miljoen kalveren geslacht worden, rekent uit dat er dus jaarlijks vele duizenden groeibevorderde dieren bij de slachthuizen arriveren. De reguliere niet-aselecte controle van de RVV vindt ze nauwelijks.

De wettelijke voorschriften (sinds 1 januari 1988 zijn in alle EG-landen groeibevorderaars verboden) hebben dus niet voldoende effect. De vraag is welke schade dieren en mensen van de misstanden ondervinden. Een lastige vraag omdat niet duidelijk is welke middelen allemaal worden gebruikt. De laatste tijd schijnt de malafide rundveehouder vooral bèta-agonisten (zoals clenbuterol en salbutamol) in te zetten. Dat zijn geen hormonen, maar medicijnen die tegen hoesten en benauwdheid bedoeld zijn. Daarnaast worden sporadisch meer of minder natuurlijke "anabolica' (anabole steroïden) aangetroffen, geslachtshormonen dus. Omstreeks 1988 werden vooral het natuurlijke oestradiol-17ß en het half-synthetische nortesteron genoemd. Onlangs werd ook weer het synthetische diethylstilboestrol (DES) aangetroffen.

Echte "groeihormonen', zoals somatotropine (BST, in de VS gebruikt voor verhoging van de melkproduktie) worden niet gevonden. Ook anti-schildklierhormonen (thyreostatica) die bij nader inzien nogal wat vetafzetting veroorzaken, zijn zeldzaam geworden.

Hormonen worden geïnjecteerd, clenbuterol gaat door het voer. De middelen bevorderen de vleesvorming op voorwaarde dat de juiste dosering wordt gebruikt en geen stompzinnigheden worden begaan. Sommige preparaten stimuleren de vleesvorming (dat is: spierontwikkeling) alleen als die spieren ook gebruikt kunnen worden, wat niet altijd het geval is.

Veel hinder hebben de dieren niet van de gedwongen groei. Het effect van de thyreostatica heet "bepaald niet aangenaam' en het heftig trillen van kalfjes die veel clenbuterol kregen is berucht. Maar als bijverschijnselen van de doping met geslachtshormonen worden alleen suffigheid en een zekere feminisatie of masculinisatie genoemd. Slachtvee wordt meestal niet oud genoeg om tumoren te ontwikkelen. Daarmee behoort de farmaceutische zorg tot de geringste van de kwellingen die het moderne landbouwhuisdier ondergaat.

Nog geringer is de schade die de consument van het misbruik heeft te vrezen. Vergeleken met zijn eigen hormoonproduktie en de hoeveelheid hormonen die "gezond' vlees al van nature bevat, zijn de extra hormonen in vlees van geholpen dieren verwaarloosbaar. Echt bedreigend lijken - voorlopig - alleen DES-spuitplekken. DES is, zoals bekend, in flinke dosering carcinogeen. De kans dat men meer dan eens een DES-spuitplek aanziet voor een mals stukje vlees is gering.

    • Karel Knip