Coney Island

Het seizoen is allang afgelopen en het is nog steeds mooi weer. Dat zijn de beste omstandigheden om naar het strand te gaan. De mensen weg, de hotels en vermakelijkheden dichtgetimmerd, het is niet ""de wereld voor de schepping van de mens'' maar hoe de wereld eruit zou kunnen zien nadat de mens verdwenen was: alles gereduceerd tot de bezienswaardige nutteloosheid waarom we naar Pompeï gaan. Aan zo'n uitstapje had ik behoefte. De machtigste man ter wereld was in New Jersey om het kiezersvolk het volle pond van zijn demagogie te geven, alle partijen logen in hun radiocommercials of het gedrukt stond, de campagne bereikt nieuwe dieptepunten van smeerlapperij en dan kan het een verfrissing zijn, aan wandeling over een leeg strand te maken. Ik nam de F Trein naar Coney Island.

Eerst gaat de reis een poosje onder de grond, daarna komt er een lange brug over de steenwoestijn van een industriegebied, nog even onder de grond en dan het viaduct met het uitzicht op de daken waaronder de Amerikaanse kiezers wonen. Dat viaduct ziet er niet stevig uit. De trein bonkt en schudt, blijft nog een poosje staan maar bereikt toch veilig het eindpunt. Je ziet het al aan het reuzenrad en de achtbaan waardoor dit oord lang geleden beroemd is geworden.

Waarop ik had gehoopt: op de weg naar het strand geen mens. Nu is de achtbaan pas goed te zien, zoals je de grachten in Amsterdam op zondag goed ziet doordat de meeste auto's weg zijn. De grachten zijn sierlijke monumenten van welvaart; de achtbaan is een fantastisch staketsel van hout en ijzer, praktisch surrealisme, een verzinsel uit een droom die aan een nachtmerrie grenst. Op kermissen zie je veel apparaten die de klant zo'n speelse verschrikking moeten bezorgen, van spookhuis en cake-walk tot de ingewikkelde draaimolen die octopus heet. Maar de achtbaan is van een andere orde: hij zou ook het skelet van een voorwereldlijk dier kunnen zijn. Dat zie je niet als de machine in bedrijf is. Die prehistorie komt pas tevoorschijn als de klanten van het vermaak weer aan het werk zijn en het staketsel kaal en verlaten in het harde zonlicht van een droge ochtend staat.

Vestdijk heeft een essay geschreven, Landschap zonder zon, waarin hij de opvatting verdedigt dat pas bij een bewolkte hemel de partijen waaruit ieder landschap bestaat, goed kunnen worden onderscheiden. Hij heeft gelijk. Zo zijn er ook taferelen, onderwerpen, objecten die pas goed tot hun recht komen als de zon op zijn hoogst staat en alle waterdamp uit de lucht is verdwenen. Alles wat zich onderscheidt door scherpe contouren: bruggen, torens, kale bomen en deze achtbaan.

Maar het mooist van Coney Island is de houten boulevard, het brede plankier op betonnen palen langs het strand, de boardwalk, die het surrealistisch aanzien voltooit. Er zijn bepaalde omgevingen die het bewustzijn veranderen; er zijn mensen die bang zijn voor stegen of die pleinvrees hebben. Dit is iets anders: een zo scherp gelijnde ruimte als de boardwalk van Coney Island met aan de ene kant de dichtgespijkerde kramen en de muren vol chaotische graffiti en aan de andere kant het brede strand, de zee, de horizon en de ongesluierde zon, alles bijelkaar kan het gevoel veroorzaken dat je een ogenblik buiten jezelf bent verplaatst. Het duurt niet meer dan een paar seconden, het is ongrijpbaar, het is een korte surrealistische transplantatie.

Laat de lezer niet denken dat ik de een of andere school van de bewustzijnsverruiming ben toegedaan. Eén kneepje in de arm doet wonderen. Ik liep de trap af naar het strand. De zee is dan nog een paar honderd meter verder. Aan de branding op het harde zand stond iemand in een oranje jurk die professioneel zijn bewustzijn aan het verruimen was, met een speciale, vertraagde gymnastiek. Daarbij zong hij in hetzelfde tempo een lied dat klonk als Waai-woei-hoei, en dat onophoudelijk. Laten we hopen dat het heeft geholpen; ik ben er geen voorstander van.

Ik liep weer naar de boardwalk. Daar waren intussen een paar daklozen aangekomen met zwaarbeladen wagentjes van de supermarkt. Ze begonnen uit te pakken, een deken, nog wat onbeschrijfelijk textiel dat als matras diende. Tenslotte zetten ze een ijsmuts op, gingen liggen, dekten zich toe en staken een sigaret op. Een van hen wenkte me: hij wilde wat kleingeld hebben, de andere ook. Ik stopte een paar kwartjes in handen die in dagen niet waren gewassen.

Daarmee was de laatste rest surrealisme verdwenen. Terug in de wereld van George Bush en Bill Clinton.