College van bestuur Erasmus vindt accountantsrapport managersschool vaag; "Er is geen zwarte lijst van declaranten'

ROTTERDAM, 24 OKT. “Er is geen zwarte lijst!” Dr. H.J. van der Molen, voorzitter van het college van bestuur van de Erasmus Universiteit (EUR), is hevig geëmotioneerd. De "zwarte lijst' is dezer dagen een gevoelig en veelbesproken onderwerp in professorale en bestuurlijke kringen van de EUR. Is er een lijst met namen van hoogleraren en andere docenten, die zich ten onrechte privé hebben laten uitbetalen voor cursussen aan de Rotterdam School of Management (RSM) van de universiteit? En zo ja, wie staan er op?

Uit een vorige week uitgelekt accountantsrapport van Paardekooper & Hoffman over de verliesgevende RSM blijkt dat een onbekend aantal docenten van verschillende vakgroepen voor curcussen aan bedrijven, overheid en studenten 1.200 gulden per dagdeel tot ten minste 2.400 gulden per dag hebben ontvangen. De hoogleraren en andere docenten incasseerden de declaraties privé of via stichtingen. Het is onduidelijk, aldus de accountant, of dit geoorloofd is volgens het Rijksambtenarenreglement en de regeling "Werken voor derden' van de EUR.

Wat volgens overigens omstreden enquêtes "de beste business-school van Europa' moet zijn - juist door het interne management - komt uit het accountantsrapport naar voren als een financieel wankele stichting: sinds het begin van de prestigieuze MBA-opleiding in 1985 is 11,5 miljoen van een subsidie van 12 miljoen gulden van Onderwijs en Wetenschappen in jaarlijkse exploitatietekorten gepompt. Daarnaast is ruim 1,5 miljoen gulden overheidssubsidie in verliesgevende cursusprojecten aan universiteiten in Oost-Europa en op Curaçao gestoken. De docentendeclaraties zijn ondermeer van deze subsidies betaald.

De chaos bij de RSM, met als gevolg Kamervragen, aflossing van bestuurders en de installatie van twee toezichthoudende commissies, roept bij collegevoorzitter Van der Molen wisselende stemmingen op. “Er zijn grote spanningen en frustraties binnen de organisatie door deze affaire”, zegt hij aanvankelijk kalm in zijn kamer op de universiteit. Maar wanneer de declaraties van docenten ter sprake komen, barst hij plotseling in woede uit: “De RSM heeft nu de publieke indruk van smoezeligheid en illegaliteit! Maar het is een normaal onderdeel van de universiteit.”

Wat vindt u van het accountantsrapport?

Weer rustig: “Het is jammer dat het nogal vaag blijft. Waar het rapport praat over betalingen aan docenten privé, stichtingen en instituten, zeg ik: laat Paardekooper & Hoffman dit maar expliciet maken.”

Het accountantsonderzoek concentreerde zich in opdracht van het stichtingsbestuur van de RSM tot nu toe alleen op delen van de RSM-boekhouding.

“Daarom is en blijft het een uiterst zwak verhaal. Een accountant weet een opdracht kennelijk zo uit te voeren dat er nog drie vervolgopdrachten uitkomen.”

U maakt zich geen zorgen over eventueel onjuiste betalingen aan docenten of stichtingen?

“Er zijn enige tientallen stichtingen voor allerlei doeleinden aan de universiteit. Ik weet niet of docenten zich privé hebben laten uitbetalen via stichtingen voor nevenwerkzaamheden in werktijd. Volgens mij is er niks illegaals gebeurd. Wij werken hier op basis van vertrouwen en gaan geen heksenjacht openen. Als een docent in werktijd weg is voor een extern project, hanteert zijn faculteit altijd een terugboeking van zijn salaris. Anders gaan we niet akkoord. In het dagprogramma aan MBA-studenten bij de RSM is de bestede docententijd steeds vergoed aan de faculteit. Dat is correct gebeurd.”

Maar geldt dit ook voor de cursussen aan bedrijven, aan de universiteiten van Warschau, Praag en Boedapest en de Nederlandse Antillen?

“Dat moet nog worden uitgezocht. Als de betalingen daarvoor naar privé-rekeningen zijn gegaan, is dat niet volgens de regels. Daar stelt het accountantsrapport terecht een vraag. Jammer dat Paardekooper & Hoffman dit niet even heeft uitgezocht.”

Functioneert de regeling voor nevenwerkzaamheden, die u vorig jaar heeft ingevoerd?

“Wij hebben de dekanen deze zomer gevraagd of er nog aanmeldingen van nevenwerkzaamheden zijn. Ik weet niet of de regeling is overtreden, maar ik verwacht wel slordigheden. Er zijn vast een paar opzettelijke niet-meldingen van bijbanen. Als we ze ontdekken, zullen we iets moeten doen.”

Zijn dit de risico's van de "ondernemende universiteit', zoals de EUR zich profileert?

“Universiteiten die zich niet inlaten met maatschappelijke contacten, zijn in intellectueel opzicht niet goed bezig. Er is een bepaalde markt en daarop vragen wij dezelfde tarieven als advocaten en consultants. Van de tien procent, die wel een bijbaan heeft, doet negentig procent het normaal. Er is hier geen onhanteerbare wildgroei van bijbanen. Bij de RSM zijn de tekorten ook niet veroorzaakt door declaraties.”

In de overeenkomst uit 1986 tussen de EUR en de stichting RSM, verbonden aan de faculteit bedrijfskunde, staat dat de MBA-opleiding binnen vijf jaar kostendekkend moest zijn. Het college van bestuur was het "bevoegd gezag'. Welk toezicht heeft u uitgeoefend?

“De universiteit kreeg en beheerde het geld, de faculteit bedrijfskunde zou het kostendekkend maken. Dat er de eerste jaren geen sluitende begroting was, was een normale ontwikkeling omdat er een infrastructuur moest worden opgezet. De universiteit heeft al die jaren het tekort van de RSM aangezuiverd op grond van goedgekeurde begrotingen door Coopers & Lybrand, de externe accountant van de RSM. Met die 11,5 miljoen aan subsidie is zo'n vijftig miljoen gulden aan activiteiten gegenereerd. De bulk daarvan is geïnvesteerd in salarissen van permanent personeel en faciliteiten.”

De kritiek van Paardekooper & Hoffman is dat de accountant van de RSM, Coopers & Lybrand, jaarrekeningen heeft goedgekeurd op basis van begrote bedragen in plaats van nacalculaties.

“Ik laat dat technische detail even voor de accountants. Ik weet gewoon niet of Coopers & Lybrand slordig werk heeft geleverd. Laat Paardekooper & Hoffman en Coopers & Lybrand dat maar onderling uitvechten.”

Wanneer zag het college dat het fout ging met de RSM?

“Begin vorig jaar diende de RSM een concept-begroting in waarvan wij zeiden: dit kan niet, nu moet er wat gebeuren, anders gaan jullie failliet.”

In 1988 al rapporteerde de toenmalige directeur dat de subsidie "als sneeuw voor de zon verdween'.

“Als hij dat zo gezegd heeft, is dat niet waar. Die eerste jaren moet u zien als investering. Wij hadden geen zorgen dat het fout ging. Kijk, dr.ir. J. de Smit was directeur van de RSM, hij was uiterst inventief in het opbouwen van nieuwe contacten en nieuwe programma's, maar minder succesvol in het zakelijke beheer. In 1991 steeg het aantal RSM-werknemers explosief van 14 naar 30. Maar ook bij het Oost-Europa-project bleek dat de degenen die het moesten uitvoeren teveel geld uitgaven. De jaarrekening van 1991 (met een geraamd tekort van 1,4 miljoen gulden, red.) is nog steeds niet goedgekeurd.”

Hoe verklaart u dat mensen, die doceren over management, deze school jarenlang zo hebben laten draaien?

“Het blijven toch halve wetenschappers. Het onderwijs hebben ze goed gedaan, alleen het beheer niet. Ik wil het niet bagatelliseren, hoor, maar ik geloof nog steeds dat het allemaal wel meevalt: een bedrijfje met een omzet van 5 tot 8 miljoen gulden per jaar met een tekortje dat door de accountant wordt toegeschreven aan de handelingen van enkele mensen. Ik maak me meer zorgen over de beeldvorming.”

    • Paul Wessels
    • Robert van de Roer