BIJBELS ISRAEL

The Archeology of Ancient Israel door Amnon Ben-Tor (red.) 398 blz., Yale University Press / The Open University of Israel 1992, f 97,50 ISBN 0 300 04768 1

Het ontstaan van het volk van Israel is waarschijnlijk heel gewoontjes verlopen. Uit het geheel van Semitische volkeren in het Midden-Oosten zal zich in de Late Bronstijd (circa 1250 voor Christus) een los stammenverband hebben gegroepeerd van vermoedelijk Aramese herders, die zich in het toenmalige Kanaän vestigden.

Van een wonderbaarlijke gebeurtenis was dus helemaal geen sprake. Toch zijn er miljoenen guldens besteed om de Bijbelse traditie over het ontstaan van het Israelitische volk archeologisch te bewijzen. Expedities naar de top van de Ararat om de Ark van Noach te vinden, zoektochten naar de graftombe van Mozes, naspeuringen op de bodem van de Dode Zee ter lokalisering van de hordes van de farao, en expedities naar Sodom en Gomorrah, het leverde allemaal niets op.

De Israelische archeologie heeft altijd een sterk religieuze achtergrond gehad. Het in 1870 te New York gestichte Committee of the Palestine Exploration Society spreekt nog altijd van een "verdediging' van de bijbel. Franse archeologen in Israel zijn georganiseerd door de Dominicaanse orde, de Duitsers door de Evangelische kerk, en de American School of Oriental Research recruteerde sinds haar oprichting in 1900 tachtig procent van de onderzoekers uit verschillende theologische seminars. Het is geen wonder dat de archeologie van Israel nog altijd wordt verscheurd door de tweespalt van bijbelse en "wetenschappelijke' archeologie. Zolang geschreven bronnen ontbreken, duikt telkens de oude strijdvraag op of een archeologische vondst "bijbels-historisch' is of niet.

Toch zijn de kampen de laatste decennia naar elkaar toegegroeid, hetgeen niet in de laatste plaats te danken is aan verbeteringen van methoden en technieken. Het helder geschreven overzichtswerk The Archeology of Ancient Israel is daar een goed voorbeeld van. Het boek bestrijkt de periode tussen het vroege neolithicum (circa 8300 voor Christus) en de Late IJzertijd, tot aan het dramatische moment van de joodse deportatie naar Babylon door Nebukadnezar (586 voor Christus).

De houding in dit boek ten opzichte van de bijbel als houvast voor de interpretatie van vondsten is kritisch, maar niet veronachtzamend. Het grote probleem blijft dat vooral wat betreft de vestigingsperiode van de Israelitische stammen de bijbel geen bijster betrouwbare bron is. De in het bijbelboek Jozua beschreven "steden' Jericho, Yarmuth, Arad en Ai blijken bijvoorbeeld toentertijd niet of nauwelijks bewoning gekend te hebben.

Israel heeft altijd ingeklemd gelegen tussen veel machtiger staten en dat is duidelijk in de materiële cultuur aan te wijzen. Pas in de 10de tot 6de eeuw voor Christus (tijdens de monarchie in Juda) begint de Hebreeuwse materiële cultuur zich te onderscheiden van de Kanaänitische. De vondsten uit de tijd daarvoor onderscheiden zich niet van die uit gebieden om Israel heen.

    • Wim van Dijk