BENELUX

Het Benelux-effect. België, Nederland en Luxemburg en de Europese integratie, 1945-1957 door E.S.A. Bloemen, redactie 194 blz. Nederlandsch Economisch-Historisch Archief (NEHA) 1992, f 39,50 ISBN 90 71617 51 3

Wanneer tien schrijvers zich buigen over de vraag in hoeverre de Benelux de internationale onderhandelingspositie van België, Nederland en Luxemburg heeft versterkt, krijg je tien verschillende antwoorden - tenzij zij onder straffe redactionele discipline staan. Die ontbrak in dit geval. De redacteur zegt het zelf: ""In deze bundel is geen poging gedaan de auteurs op één lijn te krijgen. Een ieder staat voor zijn eigen bijdrage. Het is aan de lezer de verschillen in nuance op te sporen'. Tja, zo kan ik het ook. In elk geval maakt het de taak van de recensent er niet gemakkelijker op. Hij kan toch niet, behalve in een vaktijdschrift, elke bijdrage apart gaan bespreken?

Dat wil niet zeggen dat de bundel niet veel interessants bevat, maar de gekozen redactionele methodiek heeft toch tot gevolg dat er, naar de indruk van de lezer, nogal wat hiaten zijn. Wat, bij voorbeeld, is de invloed geweest van het verschil in cultuur tussen Nederlanders, Belgen en Luxemburgers? Alleen A.J. Boekestijn behandelt dit terloops in zijn opstel. Het is toch niet onbelangrijk, maar de mate waarin culturele verschillen de samenwerking tussen Europese volken benvloeden, is een steevast, en misschien met opzet, verwaarloosd thema - niet alleen in deze bundel.

Merkwaardig is dat het summum van Benelux-samenwerking in deze bundel ook slechts terloops genoemd wordt, en nog wel in een opstel (van prof. A.E. Kersten) dat niet direct met de Benelux te maken heeft. Ik bedoel het feit dat op de Marshallplanconferentie van 1947 de Benelux als één delegatie optrad, onder voorzitterschap van de Nederlander dr. H.M. Hirschfeld, en daardoor, met Engeland en Frankrijk, tot het trio behoorde, dat de conferentie stuurde. Die mate van eenheid hebben de drie landen daarna nooit meer te zien gegeven.

Interessant is het er nog eens aan herinnerd te worden dat Nederland (althans het kabinet; de invloed van het parlement was in deze zaken marginaal) aanvankelijk helemaal niet supranationaal gezind was. België was dit bij vlagen veel meer, hoewel het in de onderhandelingen over de Europese Defensiegemeenschap een bijna Nederlands obstructionistische politiek voerde. Eén Nederlander (W. Riphagen) legde dit aldus uit: het leger was een van de weinige elementen van identiteit van het door de taalstrijd zo verscheurde België en moest dus bijna coûte que coûte behouden blijven. Zulke snippers informatie en interpretatie zijn interessant, maar vormen te samen niet één verhaal.

Een opstel is gewijd aan het buitenlands beleid van Luxemburg (van J.W.L. Brouwer), waar we zo weinig over weten. Maar weten we van het buitenlands beleid van België heel veel meer? Toch is daar geen apart hoofdstuk aan gewijd. Brouwer eindigt zijn opstel overigens met vermelding van de theorie van D. Vital "dat kleine landen, door zich te beperken tot hun onmiddellijke problemen en door kwalitatief goede bewindslieden, soms heel behoorlijk kunnen meekomen in de internationale betrekkingen'. Iets voor de heren Van den Broek en Pronk om over na te denken.

Wat is per slot van rekening het Benelux-effect geweest? Het is aan de lezer het antwoord op deze vraag in de verschillende bijdragen op te sporen. Soms zal hij het helemaal niet vinden.

    • J. L. Heldring