Zeven soorten Hollandse pootaardappelen; Aantekeningen uit de Saoedische provincie

Marcel Kurpershoek: Diep in Arabië. Uitg. Meulenhoff, 244 blz. Prijs ƒ 39,50.

In 1988 trok Marcel Kurpershoek, ambassaderaad bij de Nederlandse ambassade in Riad, enige maanden door Saoedi-Arabië om onderzoek te doen naar de Arabische volkspoëzie. Kurpershoek was voor een dergelijk onderzoek uitstekend geëquipeerd: hij had in Leiden Arabisch gestudeerd en was er tien jaar tevoren gepromoveerd op een boek over de moderne Egyptische schrijver Yusuf Idris. Hij kende dus goed Arabisch, niet alleen maar het koeterwaals dat zo veel Europeanen die in de Arabische wereld werken voor Arabisch aanzien. Mede natuurlijk door zijn diplomatieke functie slaagde hij erin zich van de benodigde introducties te voorzien en zo begaf hij zich in het voorjaar van 1988 op weg in zijn Landrover.

Het resultaat van deze studiereis - gedeeltelijk al verschenen in artikelvorm in Vrij Nederland - is nu neergelegd in een boek, Diep in Arabië. Kurpershoek maakte met een bandapparaat opnamen van wat hij noemt "de taal en poëzie van een trots heidendom, dat bijna tweeduizend jaar leefde op het ritme van de natuur'. Van dat "heidendom' is natuurlijk niets over, want in Saoedi-Arabië overheerst een allesdoordringende bigotterie die, zoals ook uit het boek blijkt, erger is dan wat er elders in de wereld van de Islam wordt gevonden, met uitzondering wellicht van Iran. Maar wat de lezer ook duidelijk wordt is dat, hoewel in de Koran afkeurend gesproken wordt over dichters, die "zeggen wat zij niet doen', de poëzie in Saoedi-Arabië een grotere en ook heel andere rol speelt dan in de Westerse landen. Zij is niet alleen maar de bezigheid van een kleine elite maar wordt nog steeds mondeling overgedragen en gereciteerd in de maglis (de ontvangstruimte die ieder Arabisch huis heeft). Daar blijken velen honderden verzen van buiten te kennen.

Toch is Diep in Arabië voor mijn gevoel niet in de eerste plaats interessant als studie van de Saoedische volkspoëzie. Die is, hoe belangwekkend ook als onderwerp van studie (hopelijk publiceert Kurpershoek zijn materiaal nog in extenso), blijkens de vertalingen van fragmenten die het boek bevat, meer merkwaardig dan mooi, met weinig echte hoogtepunten (zoals bijvoorbeeld wel de bohémien-dichter Dindaan in het diepe zuiden). Dat kan natuurlijk aan de vertalingen liggen. Kurpershoek mengt soms op merkwaardige wijze gedragen schrijftaal met jofele uitdrukkingen, zoals in het gedicht dat hij uit zijn hoofd had geleerd (zoals van iedereen in de maglis wordt verwacht):

Gordt het zadel aan en vergeetde reisbullen niet

Gordt het zadel aan en met Uwpermissie: tabee.

IJzeren hand

Wat het boek vooral interessant maakt zijn Kurpershoeks waarnemingen ter plaatse, en van dag tot dag, in de Saoedi-Arabische provincie, over de manier waarop dit puissant-rijke, maar verder nauwelijks ontwikkelde, land wordt bestuurd. Vergeleken bij sommige regimes elders in de Arabische wereld is het een fluwelen dictatuur, maar de fluwelen handschoen verbergt een ijzeren hand. Elk begin van onderlinge stammentwist wordt snel en efficiënt onderdrukt. Vaak gaan die twisten over rechten op waterputten, maar iedereen weet dat wanneer gevochten wordt om zo'n put de regering die onmiddellijk dichtgooit. Boeken moeten een censuur passeren, maar de meeste Saoedi's weten en voelen goed wat publikabel is en wat niet. Bovendien worden de burgers door een niet aflatende stroom van beloningen in allerlei vorm met gouden banden aan het regime vastgeketend. Voor wie uit de toon valt droogt de stroom snel op.

Duidelijk wordt de lezer ook dat als ooit ergens een economie afhankelijk is geworden van buitenlandse werkkrachten, dat wel de Saoedische is. De Saoedi's lijken niets anders te doen dan "besturen': regelen, rapportjes schrijven, veel opbellen en, het meest tijdrovende, antichambreren bij hogergeplaatsten, om geschillen te regelen, concessies te krijgen, of bloedverwanten uit de gevangenis te praten.

Kurpershoek laat ons zien dat waar prestaties worden verricht dat eigenlijk altijd met buitenlandse werkkrachten gebeurt. Zo bezoekt hij de hereboerderij van Prins Muqrin, gouverneur van een Noordelijke provincie: "Afgeschermd door kilometerslange hagen van donkere cypres-achtige bomen, worden de korenvelden er afgewisseld door proeftuinen waar ondermeer zeven verschillende soorten Nederlandse pootaardappelen worden uitgeprobeerd.' De Prins is trots op de opbrengst van tien ton per hectare (de regering garandeert de prijzen en koopt het graan tegen vijf maal de wereldmarktprijs).

Maar al het eigenlijke werk wordt gedaan door buitenlanders: Egyptische landarbeiders, en Amerikaanse en Engelse experts. De vreemdelingen worden eveneens met goud gebonden, want ze verdienen in Saoedi-Arabië veel meer dan thuis. De Westerlingen onder hen worden nog het correctst behandeld, de Aziatische en Afrikaanse gastarbeiders, of het nu moslimse Arabieren of Filippijnse christenen zijn, worden ruw bejegend. Maar alle buitenlanders zijn er vrijwel rechteloos: het begint ermee dat van iedere vreemdeling bij aankomst het paspoort wordt ingenomen en de rest laat zich gemakkelijk raden.

De afhankelijkheid van buitenlanders zou niet zo ernstig zijn als niet, zoals duidelijk blijkt uit Kurpershoeks boek, landbouw, techniek en handwerk zo ondergewaardeerd, om niet te zeggen geminacht waren. De bovenlaag wordt in Saoedi-Arabië gevormd door de bedoeienen (Ar. badu) en het is bon ton om zich voornamelijk voor het fokken van kamelen te interesseren - kamelen die nu juist, ook in de woestijn, hun functie hebben verloren (iedereen rijdt er auto) en alleen nog voor sociaal prestige worden gefokt. Landbouwers staan zeer laag op de sociale ladder, en helemaal onderaan (afgezien dan van de buitenlanders) staan de sloebi's, de handwerkslieden, die vroeger met de stammen meetrokken, "als vogeltjes op de rug van een rinoceros'. Die sociale structuur is, om het zacht uit te drukken, niet bevorderlijk voor de opbouw van een eigen industrie, die de Saoedi's ook nastreven.

Christenhonden

De minachting voor buitenlanders heeft natuurlijk te maken met de instelling van de Saoedi's tegenover andere godsdiensten - eigenlijk alleen het Christendom, want een andere (of geen) religie wordt helemaal niet toegelaten. In de vorige eeuw was het levensgevaarlijk om zonder uiterlijk de Islam aan te nemen door Arabië te reizen (de Engelsman Doughty, bekend door zijn Travels in Arabia Deserta, is een opvallende uitzondering). Dank zij de fluwelen greep die de regerende dynastie nu op de stammen heeft is dat nu anders. Kurpershoek heeft niet de Islam hoeven "veinzen' om zijn tochten te kunnen maken. Maar dat betekent niet dat hem niet vaak, men heeft de indruk bijna dagelijks, de minachting voor het Christendom duidelijk is gemaakt. Zelfs de dichter Dindaan, een zeer onaangepaste figuur voor wie Kurpershoek een zwakke plek heeft, beschrijft in een van zijn gedichten een pick-up (het vervoermiddel bij uitstek in de woestijn) als "brandnieuw door de honden geëxporteerd.' De christenhonden dus, en dat er nog zo over de christenen wordt gedacht blijkt herhaaldelijk:

“Ik belde aan bij het huis van Mitrits. De ijzeren poort werd geopend door een paar kinderen, die belangstellend informeerden of ik de kaafir en de haraami was, de "goddeloze' en het "geboefte' over wie ze gehoord hadden.”

Bij al zijn kritiek op Saoedi-Arabië - ongewoon openhartige kritiek voor een diplomaat en het siert het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat dit kennelijk toelaatbaar wordt geacht - ziet Kurpershoek ook de positieve kanten. Hij begint in de loop van zijn tocht door de woestijn "medeleven te voelen met de autoriteiten in Riad, die meer te stellen hebben met de nukkige stammen dan enige buitenstaander vermoedt.' En bij al zijn kritiek vindt hij dat "de tragiek van een land als Saoedi-Arabië is dat er misschien geen middenweg is tussen censuur en chaos.'

Dat neemt uiteraard niet weg dat de lezer, wanneer hij dit onderhoudende boek dicht slaat, plotseling beseft dat dit nu - naast Koeweit - het regime was dat in de Golfoorlog door het Christelijke Westen met inzet van mensenlevens moest worden verdedigd. Zou er inderdaad geen middenweg zijn tussen censuur en chaos of, waar het toen om ging, tussen de bloedige dictatuur van Saddam Hussein en de ijzeren hand in de fluwelen handschoen van het Saoedische vorstenhuis?

    • J. Brugman