Wereldeconomie in periode van eb

De wereldeconomie vertoont een uitzonderlijk beeld: alle grote industrielanden bevinden zich tegelijk in een periode van eb. De redenen zijn divers, de oplossingen evenzeer. Europa mist een geloofwaardig perspectief, eerste voorwaarde voor herstel.

De donkerste tijd van de nacht is net voor zonsopgang, zong Mama Cash in de jaren zestig. Maar nu de winter nadert, verschuift de zonsopgang naar een steeds later uur en worden de nachten langer.

Ook in de economie stapelt de somberheid zich op en hangt het woord "recessie' dreigend in de lucht. Precies vijf jaar na de krach van oktober 1987, toen de gevreesde economische ineenstorting uitbleef, bevindt de internationale economie zich in laagtij.

Nederland meende zich lange tijd gevrijwaard van de internationale malaise, maar vorige week bepaalde deze de toon van de Algemene beschouwingen in de Tweede Kamer. Tussen kabinet en parlementariërs bestond bezorgde eensgezindheid: de economische seinen springen op rood, de begroting moet onder het mes, de sociale partners moeten tot loonmatiging worden bewogen.

Eerder deze maand meldde de christelijke vakcentrale CNV op basis van eigen tellingen een verlies van 30.000 arbeidsplaatsen in de industrie tussen september 1991 en september dit jaar. Bij Philips, HSA, Hoogovens, NedCar en Campina Melkunie alleen al verdwenen ruim 10.000 arbeidsplaatsen. Nederland, met zijn open economie, kan zich niet kan afschermen van buitenlandse ontwikkelingen en die zijn niet opbeurend. In Groot-Brittannië voegen zich binnenkort wellicht 30.000 mijnwerkers bij het leger van ruim vier miljoen werklozen. In Duitsland, de Verenigde Staten, zelfs in Japan neemt de werkloosheid toe. De meest directe stimulans voor de wereldeconomie, een akkoord in de Uruguay-ronde voor handelsliberalisatie, is al twee jaar vooruit geschoven.

In de lange golf van de economische conjunctuur volgt op (over)vloed altijd eb. Ook aan dit getijde komt weer een einde, maar op het ogenblik houden ten minste zes bijzondere omstandigheden een spoedig herstel tegen. Op de eerste plaats kost de verwerking van de financiële excessen van de jaren tachtig tijd. Ten tweede houdt het Duitse hoge-rentebeleid de internationale economie in zijn greep. Ten derde loopt het beleid van de belangrijkste industrielanden op het punt van rente en wisselkoers uiteen, waardoor voortdurende onrust op de financiële markten bestaat. Op de vierde plaats leidt het einde van de Koude Oorlog tot afslanking van de defensie-industrie, de belangrijkste economische sector in een aantal landen. Verder kosten Oost-Europa en de ex-Sovjet-Unie vooralsnog alleen maar geld en leveren de voormalige communistische landen nog geen groei-impuls. Ten slotte is het politieke leiderschap in de groep van zeven belangrijkste industrielanden volledig zoek en is van economische coördinatie in deze G-7 geen sprake.

Het gaat om verschillende ontwikkelingen, die evenwel samenvallen in de tijd. Daardoor doet zich de uitzonderlijke situatie voor dat alle industrielanden zich tegelijk in een periode van eb bevinden. Wie groei zoekt in de wereld, moet naar de ontwikkelingslanden. Die groeien dit jaar en volgend jaar als groep met ruim zes procent. In de industrielanden duurt de huidige stagnatie langer en blijft het komende herstel zwak. Met als gevolg dat geen enkele land als lokomotief fungeert.

Dat was begin jaren tachtig anders. Terwijl aan de ene kant van de oceaan hardnekkige "Eurosclerose' heerste, trok het Amerikaanse beleid van belastingverlaging en oplopend begrotingstekort de wereldeconomie uit het slop. Na de Duitse eenwording fungeerde Duitsland als motor van groei, waaraan de omringende Europese landen zich konden optrekken, terwijl de VS in de vier jaar van president Bush pas op de plaats maakten. Voor de tweede helft van 1992 en voor 1993 hebben de OESO en het IMF de voorspellingen opnieuw naar beneden bijgesteld. Volgend jaar zal de groei vermoedelijk wel aantrekken - maar minder dan aanvankelijk verwacht. Het enige positieve gevolg van deze slapte is dat inflatie geen probleem vormt in de industrielanden, met uitzondering van Duitsland. Eerder doet zich in een aantal landen, zoals Japan, de VS en Groot-Brittannië, een proces van deflatie voor wat betreft de prijsdaling van vermogensbezit als onroerend goed.

Pag 12: Politieke verlamming G-7 houdt herstel wereldeconomie op

De politieke verlamming in de landen van de Groep van zeven is de meest in het oog springende factor in het economische laagtij. In de Verenigde Staten heeft president Bush vier jaar lang de binnenlandse problemen verwaarloosd en nu maakt hij een machteloze indruk in de presidentiële verkiezingsdebatten. Op Wall street, het Amerikaanse financiële hart met Republikeinse voorkeur, is men van mening dat de aanpak van de financieel-economische problemen in de VS het beste gewaarborgd is als de president en de meerderheid in het Congres tot dezelfde partij behoren. Dat is een stemverklaring voor Bill Clinton.

In de overige G-7 landen is de politieke situatie niet beter. In Japan slepen de corruptieschandalen zich al drie jaar voort, vorige week uitmondend in het vertrek uit het parlement van de politieke mannetjesmaker Shin Kanemaru. Canada leeft met de dreiging van een constitutionele scheuring over de status van Quebec. Italië is een ander woord voor permanente crisis. Het Italiaanse politieke bestel bevindt zich in een staat van ontreddering vergelijkbaar met die van Oost-Europa vlak voor de val van de Muur. In Groot-Brittannië heeft de regering-Major het begrip politieke klunzigheid nieuwe inhoud gegeven. Na de verrassende verkiezingsoverwinning in april is alles verkeerd gegaan - met het pond, met Europa en nu met de aangekondigde sluiting van de kolenmijnen.

Frankrijk heeft een impopulaire bejaarde president, die ternauwernood de vernedering van een nederlaag in het "Maastricht'-referendum heeft kunnen afwenden. Met de Franse economie gaat het overigens naar omstandigheden goed. Dit jaar heeft Frankrijk de sterkste economische groei van alle G-7 landen en de franc heeft zich bewezen in het Europese Monetaire Stelsel (EMS).

En dan Duitsland. De eenheidsroes is voorbij, de kater van de kosten van de hereniging slaat toe. Tussen rechts-radicale belegeringen van vluchtelingencentra en de ijzeren greep op het monetaire beleid van de Bundesbank laveert het kabinet-Kohl. Politiek is Duitsland het minst aangeslagen van alle G-7 landen, maar zijn financieel-economische moeilijkheden hebben hun uitstraling naar heel Europa.

Preciezer gezegd: het Duitse onvermogen om de kosten van de hereniging evenwichtig te verdelen over bezuinigingen, lastenverzwaring en een beroep op de kapitaalmarkten, is de directe oorzaak voor de hoge Duitse rente. Het geld voor de eenwording wordt geleend op de kapitaalmarkten en daardoor is de Bundesbank genoodzaakt zijn strakke monetaire beleid voort te zetten. Zo betaalt Europa, via de rentekoppeling aan Duitsland, indirect mee aan de wederopbouw van de boedel in de ex-DDR.

Aangezien de Amerikaanse centrale bank (Fed) een beleid van lage korte rente voert, is de rentekloof tussen beide landen steeds groter geworden. De hoogste Duitse rente sinds de Tweede wereldoorlog en de laagste Amerikaanse rente sinds begin jaren zestig hebben tot gevolg dat de dollar de afgelopen maanden naar een historisch dieptepunt is gezakt ten opzichte van de D-mark. In Europa leidde de keerzijde van die beweging, de kracht van de D-mark, tot onhoudbare spanningen in het Europese Monetaire Stelsel (EMS). Half september vielen het pond en de lire uit het EMS, terwijl de peseta devalueerde.

Een lage munt behoort tot de standaardreceptuur om een land uit een crisis te slepen, want het legt met duurdere import en goedkopere export de basis voor een exportgeleid herstel. Maar zelfs de extreem lage dollar is tot nu toe onvoldoende geweest om de Amerikaanse economie te helpen. De VS hebben nog steeds een handelstekort. De Amerikaanse banken grijpen intussen de renteverlagingen door de Fed aan om goedkoop kort geld aan te trekken en dat te beleggen in langlopende staatsleningen die een hogere rente bieden. Op deze manier is het Amerikaanse bankwezen bezig zijn financiële positie te versterken die was uitgehold in de jaren tachtig van het casino-kapitalisme. Maar als het gaat om bankleningen aan bedrijven, nodig om investeringen te financieren, blijkt nog steeds sprake van een dichtgeknepen kredietkraan. De credit crunch verhindert het herstel.

De verwerking van de financiële uitspattingen uit de Reagan-periode en de daaropvolgende besluiteloosheid van de regering-Bush verloopt traag. Onder Bush is het Amerikaanse begrotingstekort verder uit de hand gelopen, zodat macro-economische sturing uitgesloten is. Eén oorzaak is het schandaal met de spaarbanken (de zogenoemde savings & loans), waarbij de belastingbetaler opdraait voor de miljardenverliezen die zijn opgelopen met de federale garanties voor hun risicovolle beleggingen in onroerend goed en zogenoemde junk bonds.

De glorietijd van de junk bonds, obligaties met een hoge rente en een verhoogd risico, is gepasseerd. Deels omdat de belangrijkste handelaren achter slot en grendel zitten, veroordeeld wegens handel met voorkennis, deels omdat de voordelen van de omzetting van aandelenkapitaal in schulden niet meer vanzelfsprekend zijn. Ondernemingen hebben gemerkt dat hoogrentende schulden een loden last zijn in tijden van recessie en dat ze bedrijven niet alleen dwingen tot afslanking, maar het faillissement injagen.

In delen van de Verenigde Staten spelen de bezuinigingen op defensie-uitgaven een rol. Dit "vredesdividend' van het einde van de Koude oorlog doet zich in het bijzonder voelen in de meest geavanceerde industriële gebieden van de VS, zoals Californië en New England. Daar komt bij dat in de computer- en elektronica-industrie sprake is van verzadiging.

Geen wonder dat juist in de regio's waar zich in de jaren tachtig de grootste boom voordeed dank zij defensie, elektronica en de financiële sector, zich nu de hardnekkigste bust voordoet. Dat vertaalt zich onder meer in een langdurige vastgoedcrisis. Dalende huizenprijzen en leegstand van kantoorpanden treffen zowel de financiële instellingen die hypotheken hebben verstrekt met het onroerend goed als onderpand, als de particulieren die hun huizen in waarde zien verminderen. Wat bij de krach van oktober 1987 niet gebeurde toen de aandelenkoersen 22 procent kelderden, gebeurt als gevolg van de vermogensdeflatie door de dalende huizenprijzen: het consumentenvertrouwen daalt en particulieren stellen hun bestedingen uit.

Hetzelfde patroon speelt zich af in Groot-Brittannië en Japan. In Japan is de bubble van de vermogensinflatie uit de late jaren tachtig het meest radicaal doorgeprikt. De Japanse effectenbeurs heeft, vanaf zijn hoogtepunt eind 1989, ongeveer zestig procent in waarde verloren. Geleidelijk nemen ook de onroerend-goedprijzen in Japan, de hoogste ter wereld, af. Voor ondernemingen die hun rijkdom vaststelden aan de hand van hun beurskoers en de grond waarop hun gebouwen staan, heeft deze papieren verarming tot gevolg dat ze niet langer spotgoedkoop geld kunnen aantrekken. Japanse banken, die in de jaren tachtig de top-tien in de wereld overnamen, zien hun vermogenspositie nu weer minder worden. Het effect van deze financiële aderlating in Japan is dat de economie stagneert en dat zelfs daar wordt gesproken over een recessie.

De Britse economie heeft na 29 maanden de recessie nog steeds niet overwonnen en een belangrijke factor daarbij is de rentegevoeligheid van het Engelse hypotheekstelsel. Britse hypotheken volgen (in tegenstelling tot Nederlandse hypotheken met vaste rentepercentages) de marktrente. Het hoge-rentebeleid dat Groot-Brittannië voerde om het pond binnen het EMS te houden, vormde dan ook een extra belemmering om de economie weer in beweging te krijgen.

En daar komt Duitsland weer in zicht. Het land speelt niet alleen een uitzonderlijke rol als machtigste economie (die nu ook haperingsverschijnselen vertoont), maar meer nog als monetair anker van Europa. Terwijl de Angelsaksische economieën al vanaf 1990 terechtkwamen in recessie, kon continentaal Europa zich dank zij de vraagexpansie door de Duitse vereniging aan stagnatie onttrekken. Maar ondanks de overdrachtsuitgaven van West naar Oost laat de verwachte opleving die van Oost-Duitsland "bloeiende landschappen' zou maken, op zich wachten.

De D-mark vervult binnen het Europese Monetaire Stelsel en voor de landen die het EMS schaduwen de rol van reservemunt, zoals de dollar in de na-oorlogse periode deed. De VS brachten steeds meer dollars in omloop en die monetaire expansie hielp de geweldige economische na-oorlogse expansie financieren. Uiteindelijk stond de overvloed aan dollars in geen verhouding meer tot de gouddekking, zodat de Amerikanen in 1971 genoodzaakt waren de inwisselbaarheid van dollars in goud op te schorten en, in 1973, de vaste dollarkoers opgaven.

Als een land waarvan de munt fungeert als internationale reservemunt een permanent tekort op zijn betalingsbalans heeft, schept het voortdurend geld waarmee ook in andere landen groei kan worden gefinancierd. Dat deden de Amerikanen na de oorlog, maar de Duitsers voeren een totaal ander monetair beleid. Hun beleid is niet gericht op expansie maar juist op beheersing van de hoeveelheid D-marken. Op de lange duur is dat goed voor de stabiliteit van de D-mark en de daaraan gekoppelde Europese munten - de goud/dollarstandaard ging niet voor niets ten onder - maar op korte termijn is een beleid gericht op interne prijsstabiliteit niet bevorderlijk om internationale groei aan te zwengelen.

De Duitse keuze voor een harde munt en niet voor een wereldmunt heeft mede de september-crisis in het EMS tot gevolg gehad. Voor landen in een recessie is het, los van hun binnenlandse tekortkomingen, een haast onmogelijke opgave om een hard-geldbeleid te blijven volhouden. Verbreding van de D-mark-zone naar een Europese monetaire unie van kwalificerende landen heeft in dit verband ongetwijfeld voordelen, omdat op die manier de basis voor een Europese reserevemunt wordt vergroot en het Duitse "probleem' van financiering van de eenwording over meer landen en dus over een ruimere financiële markt wordt gespreid.

Het jaar 1992 is begonnen met het Verdrag van Maastricht en met het uitzicht op de Interne Markt. EG-publicaties voorspelden dat beide een stimulerend effect zouden hebben op de groei en welvaart. In werkelijkheid is de uitvoering van "Maastricht' onzeker en staat Europa aan de vooravond van de Interne Markt voor een recessie. Het Europese politieke leiderschap, onder druk van onvrede onder de bevolking, aarzelt en is geobsedeerd door nationale moeilijkheden. Dat straalt geen politiek vertrouwen uit, terwijl het eerste wat nodig is voor economisch herstel, een geloofwaardig perspectief is.

    • Roel Janssen