Vrijdag 23; Ironie

Onlangs zei Harry Mulisch, in een interview met Het Parool, dat we van Gerard Reve sinds 1976 niets meer hebben vernomen. Dat klopt niet. Sinds dat jaar verschenen Moeder en Zoon, Brieven aan Josine M. en Bezorgde ouders, om maar enkele titels te noemen. Waarom noemt Mulisch 1976? Omdat toen zijn pamflet Het ironische van de ironie verscheen, met als ondertitel Over het geval G.K. van het Reve.

Volgens Mulisch anno 1992 is dit artikel zo dodelijk voor Reve geweest, dat laatstgenoemde er verder maar het zwijgen toe deed. Zelfs voor een oprecht en trouw bewonderaar van Reve is Mulisch' artikel nog steeds van zo'n grote overtuigingskracht, dat je het liever nooit had willen lezen. Maar aan blinde bewondering hebben we niets, het boekje kan niet worden genegeerd. Alleen dat griezelige woord "geval' blijft hinderlijk.

Om kort te gaan betoogt Mulisch dat G.K. van het Reve zich met De taal der liefde (1972) schuldig maakt aan racisme, omdat de ironische toespelingen op "die Surinaamse en Curaçaose & Antilliaanse troep (-) die we allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot kunnen zetten, enkele reis Takki Takki Oerwoud, meneer!' helemaal geen ironie bevatten, maar de naakte waarheid onthullen over G.K. van het Reve zelf - die man is racist. Mulisch staat op het standpunt dat de auteur verantwoordelijk is voor elk personage dat hij sprekend invoert, ironisch of niet: “Zo wordt spel ernst. (-) Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat een ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie van doen te hebben.”

De ironicus draagt verantwoordelijkheid voor zijn woorden, stelt Mulisch. Een honorabel standpunt. Maar hoe zit het dan met de zelfironie, die Mulisch zichzelf toedicht in een interview dat vorige week in deze krant stond? Volgens de maatstaven van Harry Mulisch' pamflet uit 1976 kunnen we slechts concluderen dat de zelfironicus helemaal niet ironisch is, maar de waarheid spreekt. In het interview zegt hij: “als je zegt: ik beschouw mijzelf als de evenknie van Shakespeare, dan wordt het ineens door niemand meer begrepen. Dan zeggen de mensen: hoor die arrogante kwast. Dat is heel typisch Nederlands, om niet te willen begrijpen dat dat zelfironie is.”

Zo wordt spel ernst. Mulisch zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet. Zo is dus Harry Mulisch een even groot schrijver als Shakespeare. En zo is de gelukzalige blik van de auteur naast zijn door lauwerkransen omrankte kop de werkelijkheid, en niet ironie. Maar dan kan Harry Mulisch toch ook eenvoudigweg zeggen dat hij even groot is als Shakespeare? En Dante erbij. Ja, dat is echte grootheid. Dan is zelfironie een woord dat getuigt van... valse bescheidenheid.

Tussen 1976 en 1992 liggen zestien jaar. Het ironische van de ironie heeft niets van zijn geldigheid verloren. Niet zozeer als geschrift tegen Reve, maar als de ijzigste spiegel die Harry Mulisch zichzelf voorhoudt. Hij is de grootste, na hem slechts duizelingwekkende leegte.

    • Kester Freriks