Vrees voor geweld in Serviënu Milosevic herkiesbaar is; Cosic en Panic zijn nu populairder dan de Servische president

BELGRADO, 23 OKT. Slobodan Milosevic stelt zich herkiesbaar als president van Servië. Met deze aankondiging, gisteren via het persagentschap Tanjug, lijken alle inspanningen mislukt om Milosevic, internationaal algemeen beschouwd als de hoofdschuldige achter de gruwelijke burgeroorlog in Joegoslavië en het voornaamste obstakel voor opheffing van de internationale sancties tegen Servië en Montenegro, tot een vrijwillige aftocht te bewegen.

De Joegoslavische president, Dobrica Cosic, eens Milosevic' mentor in het Servisch nationaal réveil, en de Joegoslavische premier, Milan Panic, hadden vorige week nog de Servische president de mogelijkheid tot een eervolle aftocht willen bieden. Milosevic, zo wilde het gerucht in Belgrado al geruime tijd, voelde er wel voor zijn ambt op te geven en directeur van een bank te worden. Tenslotte moet het psychisch niet eenvoudig zijn binnen enkele jaren mee te maken hoe je van "meest geliefde Serviër van de 20-ste eeuw' (zoals de president eens werd genoemd op een grote nationalistische demonstratie) verandert in de nummer drie (of lager) bij populariteitspolls, in de pers belachelijk wordt gemaakt als "baby face killer' en internationaal voor schurk wordt uitgemaakt.

Milan Panic, de Amerikaanse zakenman van Servische afkomst die in april door Milosevic zelf voor het Joegoslavische premierschap naar voren werd geschoven maar zich sindsdien tot zijn voornaamste criticus heeft ontpopt, had vorige week de Servische president in een lang uitgelopen lunchafspraak nog van de vaderlandslievendheid van aftreden proberen te overtuigen. Vergeefs: nu zullen verkiezingen later dit jaar de uitkomst moeten brengen.

Of die in een overwinning van de zittende macht, Milosevic en diens ex-communistische "Socialistische partij van Servië' zullen eindigen, of in een zege van het duo Panic-Cosic en de oppositie in Servië, is uiterst onzeker. Veel Serviërs vrezen een langdurige periode van instabiliteit en chaos, zeker als - zoals velen denken - Milosevic en de zijnen bereid zijn een dreigend machtsverlies door de stembus door inzet van geweld te compenseren.

Bij het voormalig hoofdkwartier van de federale, Joegoslavische politie in Belgrado is alles rustig. Wachtposten staan binnen het gebouw, de vorige week het gebouw binnengebrachte sluipschutters laten zich niet zien en uiterlijk wijst niets erop dat deze kantoren het afgelopen weekeinde door Milosevic' Servische politie zijn ingenomen.

Nu de oproep van de federale regering, het gebouw aanstonds weer aan de federale politie over te dragen zonder enig gevolg is gebleven, probeert de Joegoslavische premier Panic de betekenis van deze stap van Milosevic te bagatelliseren. “Een stommiteit, verder niets”, zei hij deze week. Van "herovering' kan geen sprake zijn: Panic' politie omvat slechts zo'n duizend man, die dan ook nog grotendeels bij recherche en andere intellectuele politietaken ingezet zijn, eerder dan dat zij wapens dragen. Milosevic' Servische politie telt wel zo'n 40.000 man.

De overname van het federaal politiehoofdkwartier heeft, volgens sommigen, te maken met de aanwezigheid van het federale politiearchief in het gebouw. Panic heeft zich bereid verklaard mee te werken aan het onderzoek door de Verenigde Naties naar oorlogsmisdaden in de Joegoslavische burgeroorlog. Het archief, zegt men, zou best eens interessant materiaal kunnen bevatten over contacten tussen Milosevic en zijn SPS en de onderwereldkoning Arkan, de extreem-nationalist Vojislav Sesel en andere leiders van in Kroatië en Bosnië optredende privé-legertjes.

Maar meer in het algemeen, mompelt Belgrado, bewijst de intocht van de Servische politie in het gebouw de bereidheid van Milosevic, een eventuele machtsstrijd met geweld te beslechten, zoals dat ook in maart vorig jaar gebeurde, toen Milosevic tanks van het leger de straat opstuurde om verdere oppositiedemonstraties tegen te gaan.

Waar het leger van Joegoslavië nú bij een krachtmeting zou staan, is onduidelijk. Zwaar aangeslagen door het teleurstellend verloop van de oorlog in Kroatië en Bosnië, en gezuiverd van de oudere generatie van officieren die eens pal achter Milosevic stonden, is het leger nu voornamelijk op rust, orde en opheffing van het internationale isolement uit, menen kenners. Volgens Milan Panic steunt de legertop zijn regering van harte, maar in de openbaarheid is daarvan nog niets gebleken.

Het duo Milan Panic en Dobrica Cosic ontwikkelt inmiddels koortsachtige activiteiten om te proberen het isolement van Joegoslavië (tegenwoordig een federatie van Servië en Montenegro) te doorbreken. Beiden worden in binnen- en buitenland hoe langer hoe meer serieus genomen in hun streven een einde te maken aan de oorlog. Panic gaat het verst in het opruimen van alle heilige huisjes van Milosevic en andere Servische nationalisten en verklaart zich zelfs bereid de autonome status van de merendeels door Albanezen bewoonde Servische provincie Kosovo te herstellen en weer onderwijs in het Albanees toe te staan, waaraan Milosevic nu juist de afgelopen jaren een einde heeft gemaakt. Panic heeft haast met het streven, de Albanezen ervan te overtuigen dat hij een eind zal maken aan de repressie door de Servische politie in Kosovo. Niet alleen dat daarmee een potentiële nieuwe oorlog voorkomen kan worden, Panic hoopt ook de Albanezen straks tot deelname aan de verkiezingen te kunnen verleiden om daarmee bij te dragen aan de beëindiging van de heerschappij van Milosevic en zijn SPS.

In de meeste opiniepeilingen komen Panic en Cosic nu boven Milosevic uit, maar of en hoe beide Joegoslavische kopstukken hun positie bij de eind dit jaar verwachte verkiezingen in Joegoslavië (en Servië) kunnen handhaven, is op dit moment nog volstrekt onduidelijk. In april werden zij door de SPS als een soort propagandawapen op hun posten gezet, maar nu zij tovenaarsleerlingen gebleken zijn en ernst maken met hun rol, beschikken ze niet over een eigen partij. Binnen de Servische oppositie is een moeizaam proces van hergroepering sprake. Onduidelijk is of Panic, die in tegenstelling tot Cosic al heeft aangekondigd te kandideren, zich bij een partijenverbond zal aansluiten.

De bezorgdheid van Milosevic en de zijnen komt tot uitdrukking in het besluit van de SPS, die binnen de eigen gelederen ook last heeft van oppositie, haar partijcongres vandaag en morgen in Belgrado grotendeels achter gesloten deuren te houden. Het is een groot contrast met de triomfale congresstijl, waaraan men in deze kring van ex-communisten zo gewend is.

Maar de Servische staatstelevisie is in ieder geval nog vast in handen van de zittende macht en probeert dag in dag uit vooral Panic in een kwaad daglicht te stellen, bijvoorbeeld met behulp van Serviërs uit Amerika die komen vertellen dat Panic een CIA-agent is, of een malafide zakenman. De politieke onafhankelijkheid van de Servische staatstelevisie is een eerste voorwaarde voor democratie, heeft Panic gezegd. Maar net als de Servische oppositie, die al maanden te hoop loopt tegen de "Tele-Bastille', lijkt hij niet goed te weten wat hij moet doen om nog vóór de vermoedelijke verkiezingsdatum, 13 december, Milosevic' televisiemonopolie te doorbreken.

    • Raymond van den Boogaard