Vijftig columns van Carmiggelt; Moe gekeken spiegels

S. Carmiggelt: Schemeren. Uitg. De Arbeiderspers, 158 blz. Prijs ƒ 27,50 en ƒ 45,- (geb.)

Simon Carmiggelt schreef 250 verhaaltjes per jaar, ruw geschat, en zette er daarvan zo'n 50 in de jaarlijkse bundel. De rest bleef op de zeef liggen - soms terecht, omdat hij de cursieve kolom die dag al te plichtmatig had gevuld of omdat die weinig meer dan een commentaar behelsde op een allang vergeelde actualiteit, maar vaak alleen maar omdat de bundel van dat jaar nu eenmaal vol was. Kort voor zijn dood was Carmiggelt zelf al begonnen met het publiceren van een nieuwe, chronologische selectie uit ongebundelde stukjes. Zijn zoon Frank zette die arbeid voort in De kuise drinker. Daarna verscheen Zelfportret in stukjes, een verzameling autobiografische verhalen die niet afhankelijk waren van de publikatiedatum. Nu, met de nieuwe bundel Schemeren, wordt de chronologie weer opgepakt. Maar het is, kondigt de uitgever meteen aan, de afsluiting van de reeks. Dat mag een decent uitgavebeleid worden genoemd; terwijl andere veelschrijvers na hun dood eindeloos zijn uitgemolken, wordt de nalatenschap van Carmiggelt kennelijk met uiterste zorg beheerd.

Schemeren omvat vijftig verhalen uit de jaren 1975 tot en met 1983. In die periode deden zich twee belangrijke momenten voor: vanaf 17 januari 1981 schreef Carmiggelt geen dagelijkse Kronkel meer, maar een wekelijkse (onder de rubrieksnaam Een zee van tijd) en in 1983 hield hij ook daarmee op. Ik heb die data even moeten opzoeken, want in de verhalen is van die breuklijn niets te merken. Ook een andere gebeurtenis in zijn leven, die pas bekend werd toen Renate Rubinstein posthuum haar herinneringen aan Carmiggelt publiceerde, laat hier geen enkele echo na. Ik heb de verleiding niet kunnen weerstaan haar data even naast die van deze bundel te leggen - en nee, geen spoor. Integendeel. "Ik leef niet meer en gros maar en detail,' meldde de Kronkel van 7 augustus 1982, "en ben al tevreden als ik 's avonds denk: 't was eigenlijk best een aardige dag, vandaag.' Op datzelfde moment woedde er volgens Rubinstein een heftige liefdesverhouding.

Maakt die tegenstelling Carmiggelt tot een leugenaar? Nee, ze bewijst slechts dat hij van zijn geschreven ik een literair personage had gemaakt. De man uit zijn "stukkies' (zoals hij ze consequent bleef noemen) leek wel op Carmiggelt, maar was toch niet helemaal dezelfde. In het dagelijks leven was hij populair en gevierd, terwijl aan zijn gezicht te zien was dat hij veel aardigheid had in spreken in het openbaar. In de Kronkels bleef hij echter optreden als een bijna anonieme slenteraar die voorzichtig en bescheiden af en toe iets opmerkte over wat hij zag. "Een tragedie is een situatie waarin beide partijen gelijk hebben,' bijvoorbeeld. Dat staat er nu een beetje plompverloren, als een pedant aforisme, maar in het verhaal vloeit het zinnetje bijna per ongeluk uit zijn pen - haast achteloos, maar tegelijk als de enig juiste samenvatting van het voorafgaande. Daar was Carmiggelt een meester in.

In de door Frank Carmiggelt gekozen verhalen blinkt zijn vader, als altijd, uit in de beschrijving van de "wazige, van het peloton losgeraakte' mannen die in de kroeg probeerden te vergeten dat ze een vrouw hadden: "Dat was de vergissing, thuis.' Dat in veel van die mannen zijn eigen melancholie zat, is duidelijk, maar niet echt van belang. Het wonderlijkste van deze bundel vind ik te merken hoe tijdloos hij is. Hoewel de stijl in de loop der jaren iets kariger, iets minder exuberant is geworden, is het oeuvre van Carmiggelt één en al continuïteit. Hij was de schrijver die als geen ander de schijn ophield dat hij maar kleine zinnetjes schreef. Zoals, over een gerenoveerd hotel: "De hal hield alles in grijs, zwart en dof zilver, een gamma als een bedwongen huilbui.' Of, over een kapsalon: "Het was een kleine, miezerige onderneming met van die moe gekeken spiegels...' Kleine zinnetjes, inderdaad, maar wel precies de enig juiste.