Vegeterende uitvreters; Zesluik van Josef al-KaJames over het Engeland van 2021

Josef al-Kaëd: Oorlog in het land Egypte. Vert. Heleen Koesen. Uitg. Ambo/Novib, 155 blz. Prijs ƒ 29,50.

Josef al-Kaëd (1944) behoort tot de enkele grote Egyptische schrijvers die zijn opgestaan na Mahfoez. Het opvallende bij auteurs van zijn generatie is dat zij geen westerse scholing hebben genoten, maar toch schrijven op een manier die voor niet-Arabische lezers toegankelijker, minder "buitenlands', is dan de tweetalige generatie vóór hen.

Oorlog in het land Egypte dateert van 1975. De roman speelt in 1973, ten tijde van de oktober-oorlog met Israël. De zoon van de dorpsburgemeester moet in dienst. Zijn jongste vrouw zou dat niet prettig vinden, en dus wordt Masri, de begaafde zoon van de straatarme nachtwaker, in zijn plaats gestuurd. Het idee is afkomstig van een professionele "regelaar', die ook de benodigde valse papieren ritselt. Masri wordt soldaat, tobt over zijn valse identiteit en belandt in de oorlog voordat hij zijn verhaal aan iemand kwijt heeft gekund. Hij sneuvelt op de dag van het staakt het vuren.

Het schrijnende hoogtepunt is de thuisbezorging van het lijk en de verwikkelingen daarna. Het bedrog komt aan het licht, en het getergde volk loopt te hoop en eist opheldering en recht. De politie zoekt de zaak tot op de bodem uit. Alleen de burgemeester wil niet bekennen, maar waarom zou hij ook: na ingrijpen van hogerhand verdwijnt alles in de doofpot. En dat niet alleen, hij krijgt zelfs een royale uitkering. Op papier is hij de vader van de dode jonge held.

Oorlog in het land Egypte is een woedend boek. Die oorlog met Israël, waaraan al-Kaëd zelf heeft deelgenomen, mag Egypte dan hebben afgesloten, wat hem betreft wordt het tijd voor een flinke oorlog in Egypteland. Dat land stuurt zijn beste zonen de vernieling in, terwijl allerlei uitvreters mogen voortvegeteren en de baas spelen. Van de sociale maatregelen van Nassers revolutie is niets terechtgekomen, de landhervorming wordt teruggedraaid en de corruptie is ten hemel schreiend.

Ondanks de verschillende "boodschappen' is het boek licht gebleven. Ze worden niet uitdrukkelijk gebracht en de woede is onderkoeld. Zonder erg wordt de lezer meegesleept door de spanning van het onderzoek: wat is er gebeurd, krijgen ze de boef, is er nog gerechtigheid, en hoe werkt de onderdrukkingsmachine precies?

Er valt ook meer te lachen dan meestal bij geëngageerde literatuur het geval is. Niet dat er grappen zijn aan te wijzen, maar de gebeurtenissen zijn zo bizar, de citaten uit formulieren en de bureaucratische gedachtengangen zo ridicuul dat je moeilijk ernstig kunt blijven. Zelfs de werkelijk gevoelvolle momenten zijn niet te zwaar geworden. “Het ligt niet in mijn bedoeling uw ogen vol te laten lopen met dikke tranen om Masri”, aldus diens kameraad na zijn dood, “maar juist om u koel en helder te laten nadenken over wat er is gebeurd.”

Drogredenen

De roman heeft de vorm van en "zesluik'. In Egypte komt dat nogal eens voor, zo'n veelluik, onder andere bij Mahfoez en Fathi Chanem. Misschien is het daar allemaal begonnen met Lawrence Durrells Alexandria Quartet (bij ons vind je het bij Margriet de Moor). Al-Kaëd laat zes vertellers een stuk van het verhaal vertellen. Hun opeenvolging brengt ons eerst geleidelijk dichter bij Masri: de zelfingenomen burgemeester, de weerzinwekkende regelaar met zijn juridische drogredenen, de vader van de jongen, en de legerkameraad die verslag doet van zijn dood. Daarna verwijdert het verhaal zich weer van hem, via de verslagen van een sociaal werker en een inspecteur van politie. Geen van de vertellers heeft een naam.

De enige die een naam heeft in dit boek is de hoofdpersoon, en die heeft niets te vertellen. Zijn naam Masri, die "Egyptenaar' betekent, moet hij van meet af aan delen met de burgemeester, die zich zelf bij uitstek een Egyptenaar vindt. Maar door de truc raakt Masri zijn naam kwijt en wordt hem ook zijn bestaan ontnomen.

De valkuil van een "veelluik' is vaak dat alle vertellers hetzelfde praten, namelijk precies als de auteur. Maar al-Kaëd is daar niet ingetrapt: bij hem hebben ze een eigen identiteit en een eigen stijl. De vertellers blijken van elkaars verhaal op de hoogte en verwijzen soms naar elkaars tekst; dat is zo onwaarschijnlijk dat het grappig wordt en bijdraagt tot de lichtheid van de leeservaring.

Zwaar en zwak is alleen het gedoe over eer en zelfopoffering voor het vaderland. Masri's vaderlandsliefde wordt gloedvol beschreven, terwijl de lezer duidelijk ziet dat het vooral wanhoop is die hem naar het front drijft. Als hij meervoudig zwaargewond is gaat hij door met zieke maten te verplegen tot hij neervalt, en dat is geruime tijd na het fysiek waarschijnlijke moment. Hij is een held, en dat wordt zo dik aangezet dat ik even moest denken aan een grap. Te vrezen is echter dat de schrijver hier bloedserieus is.

Toch een exotische toets dus, maar voor het overige is Oorlog in het land Egypte zeer toegankelijk en voortreffelijk: één van de beste romans die het moderne Egypte te bieden heeft.