Succes brengt TNO-instituut in gevaar; "Outplacement' voor apen: na een kort verblijf in een noodopvang, naar een geschikte dierentuin

Het proefdierencentrum van TNO in Rijswijk verkeert in grote financiële problemen. Gevreesd wordt dat de helft van het personeel én van de proefdieren moet verdwijnen. Een uniek instituut op halve kracht verder.

Niet bekend

“Bij de proefdieren hier zijn die eigenschappen wel bekend. We krijgen door de vele buitenlandse aanvragen voor onderzoek met steeds hogere kosten te maken. De populariteit van het ITRI is de oorzaak van de financiële problemen. Er lopen hier verzorgers rond die in staat zijn bepaalde dieren in een conditie te brengen en te houden zoals niemand ter wereld dat kan. Maar hoe meer daarvan gebruik wordt gemaakt, hoe kostbaarder het wordt, terwijl er geen adequate vergoeding tegenover staat. De paradox is hier dat het slechter met je gaat naarmate je beter wordt”, zegt Valerio.

ITRI is in grote financiële problemen geraakt. Een van de eerste maatregelen is een vergaande reductie van het aantal proefdieren. Het personeel vreest dat daardoor ongeveer de helft van de 170 werknemers zal moeten vertrekken. Een verliesmakend, maar uniek onderzoekscentrum in de wereld moet zwaar geamputeerd verder, juist nu opdrachten van over de gehele wereld binnenkomen.

Twee weken geleden begon het TNO-instituut als bezuinigingsmaatregel met het afmaken van proefdieren. Tientallen speciaal gefokte muizen en ratten werden gedood en er bestond vrees dat overtollige resusapen en chimpansees hetzelfde lot zou treffen. Inmiddels heeft prof. dr A. Rörsch van de Raad van Bestuur van TNO de "apenvakbond' Pro Primates laten weten er alles aan te zullen doen om een behoorlijk outplacement voor de apen te regelen. Volgens directeur drs. I. Spruit van Pro Primates zullen de apen via een voorlopig opvangcentrum naar geschikte dierentuinen worden overgebracht.

“De geschiedenis van het instituut begon in de jaren vijftig, toen prof. dr. J.A. Cohen er directeur was van het medisch biologisch laboratorium”, zegt prof.dr. D. Valerio, hoofd van de afdeling Gentherapie van het ITRI. Cohen doceerde stralenpathologie, waar veel belangstelling voor was in verband met de Koude Oorlog en de atoombom. Hij leidde een generatie wetenschappers op die werkte op het snijvlak van geneeskunde en medische biologie. Het instituut maakte toen deel uit van de gezondheidsorganisatie TNO en had sterke banden met de overheid. Later zou het opgaan in het veel grotere TNO, dat een eigen wettelijke status heeft.

“Onderzoek naar de effecten van straling maakte duidelijk dat vooral het afweersysteem in elkaar stortte”, zegt Valerio. Een van Cohens bekendste opvolgers is prof.dr. D.W. van Bekkum, die het Radio Biologisch Instituut oprichtte.

De belangstelling voor straling in samenhang met het immuunsysteem leidde tot veel kennis omtrent de mogelijkheden om beenmerg te transplanteren.

“Toen het onderzoek in de reageerbuis tot een verzadigingspunt kwam”, zegt Valerio, “was duidelijk dat men verder moest met proefdieren. Proefdieren, waarvan vrijwel alle kenmerken bekend waren en waarvan zeker was dat ze "schoon' waren, vrij van ziektekiemen. Zo ontstond de "gnotobiologie', een wetenschap rond de fok van proefdieren voor specifiek onderzoek.”

Jonge ratten werden met een keizersnee ter wereld gebracht, direct vanuit de steriele baarmoeder in een steriele omgeving. In een later stadium werden technieken ontwikkeld om resusapen en chimpansees vrij te houden van ziekmakende micro-organismen, zodat ze geschikt werden voor onderzoek. De eerste experimenten met het steriel huisvesten en verzorgen van die proefdieren bleken later van wezenlijke betekenis voor de beantwoording van de vraag hoe patiënten zonder afweer moesten worden behandeld en geïsoleerd. Experts van TNO zetten in ziekenhuizen afdelingen op waar deze patiënten worden verpleegd.

Van de reageerbuis naar de muis bleek een geslaagde stap, maar het was te gevaarlijk om vervolgens meteen op de mens over te gaan. Experimenten met apen en mensapen (primaten) waren nodig om de overstap van laboratorium naar kliniek verantwoord te kunnen maken. Vandaar het ontstaan van de grote kolonies van resusapen (nu 1.200) en chimpansees (nu 120) van TNO, dat daarmee tot de grootste en meest geavanceerde proefdiercentra ter wereld hoort. Er komen dagelijks brieven van wetenschappers van over de hele wereld, die geen kans zien hun onderzoek elders te doen.

“De eerste beenmergtransplantatie werd in Leiden gedaan met de kennis van TNO”, zegt Valerio. “Het belang daarvan werd breder toen transplantatie van organen als nieren, hart en lever in het verschiet kwamen. Daarbij was het werk van de Leidse hoogleraar dr. J. van Rood doorslaggevend. Van Rood wist weefsel te typeren, zodat de kans op afstoting door het lichaam werd verkleind. Wat hij bij patiënten had ontdekt kon worden onderzocht bij proefdieren van TNO.”

Er bestaat een fokprogramma voor resusapen waarvan de typering bekend is. Ze zijn ook van belang voor onderzoek naar chronische ziekten als reuma, diabetes en multiple sclerose (MS).

Valerio:“De meest gevreesde bijwerking van beenmergtransplantatie is de zogenoemde Graft-versus-host-reactie. Degene die het merg ontvangt, ontwikkelt op termijn grote defecten aan darmen, lever en huid. Dat komt doordat het bloed het lichaam van de gastheer als vreemd ziet en wil aanpakken. Bij orgaantransplantaties zie je het omgekeerde. Duidelijk is dat die ziekte wordt veroorzaakt door witte bloedcellen. Het te transplanteren beenmerg moet daarvan dus gezuiverd worden. Probleem is echter dat je beenmergtransplantatie toepast bij mensen met leukemie, bloedkanker. Bij het opruimen van kanker spelen echter juist die witte bloedcellen een belangrijke rol.

“Je kunt die bloedcellen dus goed gebruiken, maar je moet er van af voordat ze die ziekte veroorzaken. We kunnen ze genetisch manipuleren, zodat ze massaal zelfmoord plegen op een bepaald commando. Dat commando geven we door toediening van een medicijn. Ze hebben dan goed werk gedaan voordat ze gevaarlijk zijn geworden. Dit onderzoek kun je alleen uitvoeren als je proefdieren hebt waarvan je de genetische achtergronden kent”, zegt Valerio. Dat belang geldt ook voor aids- en malariaonderzoek, waar bij het ITRI hard aan wordt gewerkt.

    • Bram Pols