Nieuw licht op Russische pseudo-cijfers; Westers onderzoek naar statistieken levert verrassende resultaten op

ROTTERDAM, 23 OKT. Lange tijd was het door gebrek aan informatie onmogelijk een exact beeld te krijgen van het sociaal-economisch leven in het voormalige Oostblok. Statistiek stond immers in dienst van de ideologie en politieke manipulatie begeleidde de verzameling van feiten. En voor zover daar sinds 1989/90 een eind aan kwam, verhinderen chaos en nog in te lopen achterstanden een helder beeld. Intussen maken westerse onderzoekers, vaak samen met Oosteuropese collega's, gebruik van de nieuwe vrijheden in het voormalige Sovjet-rijk en publiceren zij in groeiend tempo rapporten en studies om oude sluiers op te lichten.

Soms met verrassende resultaten. Neem "Russian Economic trends', een nieuw kwartaalrapport, dat wordt samengesteld door de Britse economen Richard Layard en Michael Ellam die op kosten van de EG zijn gedetacheerd in het ministerie van arbeid in Moskou. Zij constateerden dat de staatsstatistici geen duidelijke en relevante tabellen plegen te produceren, maar maandelijkse bulletins die lijken op langdradige essays, volgestampt met duizenden willekeurig gekozen cijfers. Volumecijfers van de produktie dekken zelden de waardecijfers van die produktie (gedeeld door de inflatie). De prijzen van mayonnaise worden weliswaar correct weergegeven maar statistieken over de buitenlandse valutaresreves blijken verwaarloosbaar. En elementaire gegevens, zoals over rentestanden, ontbreken helemaal.

Door relevante informatie uit het amorfe aanbod te filtreren, leemten te vullen en beschikbare gegevens in meer logische en toegankelijke vorm te presenteren, kwamen Layard en Ellam tot opmerkelijke resultaten. Zij stelden bij voorbeeld vast dat het pijnlijke Russische hervormingsproces in 1991 gepaard ging met een importdaling van 46 procent, terwijl de reële inkomens in het eerste kwartaal van dit jaar daalden met niet minder dan 43 procent.

Verder corrigeerden beide Britten enkele pseudo-waarheden waarop Russische regeringsfunktionarissen en westerse deskundigen zich baseerden. Zoals de notie dat het Russische begrotingstekort over de eerste helft van dit jaar een rampzalige 20 procent van het bruto nationale produkt beliep. Zij wijzen erop dat in de officiële staatsuitgaven ook vijf miljard dollar zit voor de afbetaling van buitenlandse schulden. Maar die schulden worden dit jaar vrijwel zeker niet afbetaald want Moskou wil ze herstructureren. En mocht dat toch gebeuren, dan zou Moskou nieuwe hulp- of exportdollars gebruiken. De Russen zullen ter delging van hun schulden zeker geen 1600 miljard nieuwe roebels drukken want niemand wil ze. Daarom heeft de schuldenverplichting aan het buitenland weinig tot niets van doen met binnenlandse inflatoire overbesteding. En daarom is het, volgens de Britse economen, gerechtvaardigd om die verplichtingen uit te sluiten van het Russische begrotingstekort. Dat daalt daarmee van 20 tot 5 procent.

In een studie, die afgelopen augustus verscheen in de "Brookings Papers on Economic Activity', wordt afgerekend met het traditionele stereotiep inzake de "homo Sovjeticus'. Naar gangbare westerse opvatting heeft deze mens na eeuwen van tsaristisch dirigisme en generaties van communistische planeconomie een diepgewortelde afkeer ontwikkeld van particulier initiatief en winststreven. Onzin, zeggen Robert Shiller van de Yale University, Maxim Boycko van Moskou's Instituut voor Wereldeconomie, en Vladimir Korobov van het Kherson Pedagogische Instituut in de Oekraïne. Na uitgebreide enquêtes in de VS, de Oekraïne en Rusland kwamen zij tot de slotsom dat de bewoners van de laatste twee landen evenveel bereidheid tonen om een eigen zaak te beginnen als de Amerikanen. Het verlangen om in andersmans zakeninitiatieven te investeren bleek zelfs nog groter. In Moskou zei 51 procent van de ondervraagden dat zij ongeacht de risico's graag een substantieel deel van hun spaargeld in een nieuwe onderneming van vrienden zouden steken. In de Westsiberische stad Omsk bedroeg dat percentage 42 procent, maar in New York 33 procent.

Volgens de auteurs van de Brookings Papers-studie valt uit de antwoorden af te leiden dat de factor "situatie' veel belangrijker is dan de factor "houding'. Ondervraagden in de ex-communistische landen geven toe dat arbeiders daar vaak geen kwaliteitswerk leveren. Niet omdat zij daartoe niet in staat zouden zijn - het opleidingsniveau in de voormalige Sovjet-Unie is hoog - maar door gebrek aan prikkels. Als die worden toegediend, oordelen de onderzoekers, zal het werkgedrag snel veranderen.

De vakgroep wiskundige economie van de Erasmus-universiteit in Rotterdam ondernam eind vorig jaar samen met de Russische socioloog Yuri Levada en het Russische Centrum voor Studie van Publieke Opinie over Sociaal-Economische Onderwerpen een opinie-onderzoek bij negenduizend huishoudens in Rusland, de Oekraïne en Kazakhstan. De uitkomsten werden gepubliceerd in de 'Erasmus Survey 1991' en één van de opvallendste betreft de wens van veel ex-Sovjets om te emigreren. Niet minder dan 8 procent van de Russen, 11 procent van de Oekraïners en 19 procent van de Kazakhstanen - in totaal twintig miljoen mensen - denken "frequent' of zelfs "permanent' aan die optie. De VS, Zweden en Duitsland gelden daarbij als meest favoriete landen.

Volgens het Erasmus Survey worden de bewoners van de voormalige Sovjet-Unie gekweld door intense zorgen over verlies van werk, teruglopende koopkracht, misdaad en overbevolking in eigen huis. In veel huizen wonen grootouders, ouders en kinderen nog samen, terwijl eenvijfde van alle huishoudens bestaat uit twee gezinnen. Meer dan 95 procent van de huishoudens in de drie onderzochte landen hebben de beschikking over een ijskast en een televisie (voor tweederde nog zwart-wit), en 80 procent bezit een elementaire wasmachine.

Mintel International, het leidende Britse bureau voor marktonderzoek, onderwierp eerder dit jaar in elk van de zeven grootste Oosteuropese landen en in Europees Rusland duizend mensen uit alle lagen van de bevolking aan een consumentenonderzoek. Het resultaat heet "The East European Consumer, 1992' en geeft gedetailleerd weer dat Tsjechen, Slowaken en Hongaren de meest kostbare en moderne consumptiegoederen in huis hebben. Russen en Bulgaren scoren het laagst. En wat betreft het bezit van hèt grote statussymbool - een personenauto: Tsjechoslowakije heeft er 207 per 1000 inwoners, Hongarije 204 en Rusland slechts 84. Ter vergelijking: in Groot-Brittannië zijn er op 1000 mensen 400 auto's en in de VS 600.

De economische toekomstverwachtingen zijn relatief nog het hoogst gespannen in Hongarije en Polen en verreweg het laagst in Europees Rusland. Toch blijken de Russen niet overdreven voorzichtig en zijn zij minder dan hun Oosteuropese buren geneigd geld op zij te leggen voor onverwachte tegenslagen. Mintel doet ook een poging de onderzochte landen te rangschikken naar hun relatieve welvaart. Tsjechoslowakije gaat met een jaarinkomen per inwoner van 6600 dollar op kop, gevolgd door Hongarije met 5300 en Bulgarije met 4800 dollar. Hekkesluiters zijn Polen en Russen met 3400 en 2800 dollar.