Lubbers zoekt oplossing voor oplopend financieringstekort

DEN HAAG, 23 OKT. Ook als het kabinet erin slaagt aan de uitgavenkant de maatregelen te nemen die premier Lubbers tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen vorige week aankondigde, blijft het financieringstekort volgend jaar door de verslechterende economie nog circa 1,5 miljard gulden te hoog. Volgens de premier zijn daarvoor geen draconische bezuinigingen nodig, want door de lagere inflatie hoeft de overheid in 1993 en latere jaren minder rentelasten te betalen. Hij doet deze week in CD/Actueel de suggestie om dat voordeel naar voren te halen en op die manier - tijdelijk - de problemen van 1993 op te lossen.

Die suggestie tekent de dilemma's waar Lubbers en minister Kok van financiën voor staan. Veel mogelijkheden om het probleem van 1993 meteen blijvend op te lossen, zijn geblokkeerd door andere doelstellingen van het kabinet.

De verslechterde economische situatie leidt tot minder belasting- en aardgasinkomsten voor het rijk. Daardoor stijgt het financieringstekort boven de norm die het kabinet zich in het regeerakkoord heeft gesteld. Daar staat tegenover dat het kabinet aan de uitgavenkant van de begroting enige ruimte krijgt om die tegenvaller te compenseren. Want de verwachte daling van de inflatie maakt het mogelijk de stijgingen van een aantal uitgaven te beperken.

Tijdens de Algemene Beschouwingen noemde Lubbers een heel rijtje maatregelen: bruto verlaging van de inkomens in de collectieve sector zonder dat de koopkracht daaronder lijdt, verlaging van de inflatiecorrectie bij de belastingschijven, verlaging van de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking (het nationaal inkomen waaraan deze als percentage zijn gekoppeld valt immers lager uit), beperking van de prijscompensatie aan de departementen, en lagere rentebetalingen.

Als het kabinet slaagt om deze ombuigingen uit te voeren, blijven twee problemen liggen. Het eerste is dat de operatie niet genoeg oplevert om het financieringstekort te laten dalen naar de afgesproken 3,75 procent van het nationale inkomen. Lubbers noemt als "gat' een bedrag van 1,5 miljard gulden. Het tweede probleem is dat verlaging van de inflatiecorrectie in de loon- en inkomstenbelasting zorgt voor een stijging van de collectieve lastendruk.

Die lastendruk stijgt ook al door de gewijzigde economische omstandigheden. Want door de lagere inflatie in 1993 valt het nationale inkomen volgend jaar lager uit dan tot nu toe was voorzien. Aangezien de collectieve lastendruk wordt uitgedrukt als percentage van het nationale inkomen, leidt een lager nationaal inkomen automatisch tot een hogere collectieve lastendruk (het "noemer-effect'). Alles bij elkaar dreigt het kabinet daardoor de grens van 53,6 procent voor de collectieve lastendruk, die in het regeerakkoord is vastgelegd, te overschrijden.

Zeker is dat belastingverhoging om het financieringstekort te verkleinen er niet in zit. In de Miljoenennota 1993 kondigt het kabinet een collectieve lastendruk aan van 53,1 procent. Er zullen ongetwijfeld politici zijn die elke stijging boven deze grens al te veel vinden en niet willen weten van een verhoging van de bovengrens tot 53,6 procent.

Gezien Lubbers' suggestie in CD/Actueel is het kabinet niet van plan om voor de overblijvende anderhalf miljard extra bezuinigingen op de rijksbegroting te zoeken. In politiek Den Haag wordt verwezen naar "het passen en meten' dat gedurende dit voorjaar en afgelopen zomer nodig was om de begroting rond te krijgen. Daar komt bij dat er beperkingen zijn. Het is ondenkbaar dat het kabinet maatregelen neemt die tot prijsstijgingen leiden. Want dan staat de vakbeweging op zijn achterste benen en is de loonmatiging waarop het kabinet hoopt, van de baan.

Kan het kabinet het financieringstekort volgend jaar met 1,5 miljard gulden laten oplopen? Zo werkt het niet in de politiek. De norm voor het financieringstekort is voor de sociaal-democratische minister van financiën een van de belangrijkste doelstellingen van zijn beleid. Hij wordt later over dat tekort aangesproken. Kok zal dus vasthouden aan de norm van het regeerakkoord, ook al moet hij daarvoor wat kunst- en vliegwerk van tijdelijke verschuivingen in uitgaven en inkomsten accepteren. Dat zou een terugkeer betekenen naar boekhoudkundige listen waaraan Kok juist een einde hoopte te hebben gemaakt.

Het kabinet verschuift op die manier de oplossing van zijn financiële problemen naar de toekomst. Die ziet er al niet te rooskleurig uit. In 1994 zijn bijvoorbeeld ook nog de naweeën te verwachten van de huidige economische verslechtering in de vorm van lagere inkomsten aan vennootschapsbelasting. Nu al is duidelijk dat het verkiezingsjaar 1994 een moeilijk jaar zal worden.