Liever iconen dan auto's

De helft van alle Roemenen leeft tegenwoordig in armoede, maar toch bloeit Boekarest op en krijgt het weer iets van het Parijs van de Balkan dat het ooit was. Als uit het niets zijn in het hart van Boekarest de antiquairs en veilinghuizen gekomen. “Het is verbazingwekkend hoeveel kunstschatten zich nog in particuliere handen bevinden, na een halve eeuw waarin op privébezit een zwaar taboe rustte.”

De Roemenen verpauperen. Je ziet het op straat: bejaarden die bedelen en rommelen in de prullenbakken van het Cismigiu-park, de straatkinderen rond het Noordstation die autolak snuiven, de zwervers bij de ingangen van de metrostations, de aarzelingen van oude vrouwtjes op de markt van PiaAmzei, oog in oog met de manden met aardappelen en pruimen. Kille cijfers: de gemiddelde Roemeen heeft per dag omgerekend nog geen drie gulden te besteden, de gemiddelde bejaarde nog geen gulden. Werklozen vallen buiten de boot, en er zijn inmiddels een half miljoen werklozen. De helft van alle Roemenen leeft in armoede, een vijfde leeft onder het bestaansminumum, een derde bezuinigt op basisgoederen.

En tegelijkertijd bloeit Boekarest op - aan de buitenkant. Twaalf jaar lang is Boekarest een naargeestige stad geweest, een stad zonder straatverlichting, zonder plezier, zonder vertier, zonder kleur, een stad vol wantrouwige, verbitterde mensen. Nu verandert de stad: kleuren zijn er, de nieuwe parasols op de nieuwe terrasjes, de reclame aan de muren, men flaneert, men slentert, Boekarest krijgt weer, aarzelend misschien, het air van het Parijs van de Balkan dat het was tot Ceausescu in 1980 met zijn kaalslag begon, het Parijs van de Balkan met zijn flanerende mensen op de boulevards, met zijn vrolijke en levantijnse sfeer van gesjacher op de markt en een prettig soort kleine corruptie.

En ook niet iedereen heeft het moeilijk. Wie voor zichzelf is begonnen, heeft het vaak zelfs redelijk goed: de inkomens in de privésector liggen de helft hoger dan die in de staatssector, er ontstaat een nieuwe klasse van nouveaux riches, en natuurlijk, er is corruptie en er is illegale verrijking, maar het beeld van verpaupering kent toch heel wat nuances.

Er ontstaan nieuwe branches in de economie. Een ervan is de kunsthandel. Als uit het niets zijn in het hart van Boekarest, aan de Calea Victoriei en de Bulevardul Magheru, de antiquairs gekomen. Voor een deel drijven ze op die armoede van anderen, want zo moeilijk hebben velen het, dat ze het oude familiezilver wegdoen, de schilderijen en iconen die decennia in de huiskamer hebben gehangen, de oude meubels van overgrootvader. Je kunt nu museumstukken kopen, schilderijen van klassieke Roemeense meesters, Louis Seize meubels, en iconen uit de achttiende en negentiende eeuw. Het zijn vaak buitenlandse kostbaarheden, in de jaren twintig en dertig aangeschaft door de toenmalige elite, die zich even goed thuis voelde in de salons van Parijs en Berlijn en Wenen als in Boekarest zelf, een elite van oliebaronnen en de nazaten van oude Roemeense bojarengeslachten.

Je betaalt voor die kostbaarheden ook naar Westerse maatstaven niet zoveel, tussen - omgerekend - twee- en zesduizend gulden voor negentiende-eeuwse Roemeense en Russische iconen en tussen zes- en dertienduizend gulden voor schilderijen van Aman, Camil Ressu en Tonitza die je in vroeger tijden alleen in musea aantrof, en op postzegels.

Luchtvaart-ingenieur

Mihail Papagheorghiou doet in kunst, een forse grijze man met een bril. Het is niet zijn vak, zegt hij, hij is eigenlijk ingenieur, luchtvaart-ingenieur. Maar daar leef je niet meer behoorlijk van, tegenwoordig. “Twee jaar geleden heb ik gedacht: waarom zou ik geen veilinghuis beginnen? Je hebt er weinig geld voor nodig, en er was gebrek aan alles. Ik heb met wat vrienden gesproken, we dachten eerst aan veilingen van auto's, maar het werd uiteindelijk kunst. Waarom kunst? Tja, waarom géén kunst? Kunst is leuker dan auto's.”

Papagheorghiu en zijn zes vrienden begonnen met niets, ze legden elk vijfduizend lei op tafel (toen de tegenwaarde van een behoorlijk maandloon, nu nog maar twintig gulden), ze plaatsten wat advertenties, ze huurden een flat, ze zochten contact met kunstkenners voor het keuren en het bepalen van de uitroepprijs en in oktober 1990 zetten ze hun eerste veiling op touw.

Het werd een fiasco. “We hadden veertig tot vijftig kavels verzameld, met een waarde van 30.000 lei: tapijten, meubilair en schilderijen. Bijna alles bleef liggen. Niemand kende ons nog.”

Papagheorghiu en zijn zes vrienden lieten zich niet afschrikken. Ze zetten door - en ze haalden het: nu houdt het veilinghuis Alis in hartje Boekarest elke tweede zondag een veiling waarbij voor gemiddeld tussen acht en tien miljoen lei wordt omgezet. Dat mag voor Westerse begrippen niet veel zijn - 1000 lei is vier gulden -, maar voor Roemeense begrippen is het een indrukwekkend bedrag, want zoveel privébedrijven met een maandomzet van bijna een ton zijn er niet in Roemenië.

Economisch is het een groot succes, zo groot, zegt Papagheorghiu, dat er inmiddels in Boekarest al vier of vijf van dergelijke veilinghuizen zijn, waarvan Alis nog steeds het grootste is. Alis berekent zowel de koper als de verkoper tien procent commissie. Er werken nu vijfentwintig mensen in vaste dienst, plus zeven part time experts.

Per veiling worden tweehonderd tot tweehonderdvijftig objecten aangeboden, onderverdeeld in de categorieën zilveren voorwerpen, religieuze voorwerpen, beeldhouwwerken, schilderkunst en grafiek, meubels, juwelen, tapijten, keramiek/glas/porselein, uurwerken en diversen. In die laatste categorie vallen serviezen, dienschalen, lampen en dozen en doosjes en oude camera's. Veel van die voorwerpen in Papagheorghiu's catalogi zijn Jugendstil. De meeste iconen zijn negentiende- en begin twintigste-eeuws, met uitroepprijzen van 20.000 tot 100.000 lei.

De hoogste prijzen worden genoteerd voor buitenlandse beeldhouwwerken en schilderijen van Roemeense meesters, zegt Papagheorghiu. Soms komt het tot verrassingen. Een klein beeldje van Hiolé, met een geschatte waarde van 200.000 lei, ging weg voor drie miljoen, een negentiende-eeuwse kopie van een miniatuur, waarvan de waarde door Papagheorghiu's experts werd geschat op 35.000 lei, bracht bijna een miljoen op.

Het zijn niet alleen maar financieel in het nauw gedreven bejaarden die zich bij Alis melden met het familiezilver, zegt Papagheorghiu. De kostbaarheden die hij veilt komen intussen ook van die nieuwe antiquairs aan de Calea Victoriei en de Bulevardul Magheru en van de nieuwe kunsthandel die zich snel ontwikkelt. Die kunsthandel koopt ook veel. De nouveaux riches, de nieuwe klasse van zich snel verrijkende zakenlieden, blijft nog achter. “Ze hebben kunstvoorwerpen nog niet als investering ontdekt. Of ze missen de smaak.” Bovendien, zegt hij, veel van die zakenlieden zien zich ook nog gedwongen hun geaccumuleerde kapitaal weer in hun bedrijf te steken. Ook vertegenwoordigers van musea laten zich bij Alis niet zien: als er iemand géén budget heeft, is het tegenwoordig wel de directeur van een museum.

Taboe

Het is verbazingwekkend, zegt Papagheorghiu, hoeveel kunstschatten zich nog in particuliere handen bevinden, na een halve eeuw waarin op privébezit een zwaar taboe rustte. “Schilderijen van klassieke Roemeense meesters als Camil Ressu en Theodor Aman zijn absoluut geen zeldzaamheid. Zeldzaam zijn hooguit die schilders die niet erg veel hebben geschilderd in hun leven, zoals Nicolae Grigorescu en Andreescu.”

Inmiddels hebben ook buitenlanders Alis ontdekt, zegt hij, Italianen, Fransen. Alis laat in de kleine lettertjes van de catalogus weten zich niet te bemoeien met de regeling van een uitvoervergunning. “We hebben een heel strenge wet waar het de bescherming van het nationale erfgoed betreft, we hebben hard een wat soepeler wet nodig.” Maar ik denk dat er weinig wordt gesmokkeld, zegt hij, meestal lukt het wel de benodigde papieren te krijgen. Hoe? Tsja, dat, zegt Mihail Papagheorghiu, wil ik eigenlijk liever niet weten.

    • Peter Michielsen