Liefhebbers in het verdachtenbankje; Een poging om Richard Wagner voorgoed te vernietigen

Het doel van de opera's van Richard Wagner is het uiten en stimuleren van jodenhaat, aldus een onlangs verschenen studie. Het boek roept de vraag op of Wagner-liefhebbers zich daardoor mee laten slepen. Of is muziek zoals Strawinsky zei per definitie abstract en waardenvrij?

P.L. Rose: Wagner, Race and Revolution. Faber & Faber, Londen 1992, 246 blz. Prijs: fl. 75,80.

Wagner Editie: Bayreuther Festspiele live. Philips: cd, VHS, ld.

Ring door Metropolitan Opera New York o.l.v. James Levine. DG: cd, VHS, ld (div. bezettingen) Ring door orkest Beierse Omroep o.l.v. Bernard Haitink. EMI: cd.

Bijna 110 jaar na zijn dood, op 13 februari 1883 in Venetie, is Richard Wagner nog steeds de meest omstreden componist. Dit najaar gaat de strijd tussen een boek en een aantal plaatuitgaven. Paul Lawrence Rose, historicus en professor aan universiteiten in York (Canada) en Haifa in Israel, probeert Wagner definitief te vernietigen in zijn nieuwe studie Wagner, Race and Revolution. Het is onaangename literatuur voor de Wagnerliefhebber, die wordt geconfronteerd met nauwelijks te beantwoorden morele vragen. Wie ook maar enige waardering heeft voor Wagners muziek wordt door Rose persoonlijk beschuldigd van het bedrijven van antisemitisme, het aanhangen van het nazisme en alsnog heulen met Hitler.

Platenmaatschappijen komen dit najaar met nieuwe hommages aan Wagner, een aantal prachtige verzamelingen van Wagners opera's op cd's, video en laser disc. Philips presenteert alle door Wagner voor uitvoering in Bayreuth geautoriseerde opera's in daar opgenomen live-registraties. Verder zijn er nieuwe edities van Der Ring des Nibelungen gedirigeerd door Bernard Haitink (EMI) en door James Levine (Deutsche Grammophone).

Rose probeert in zijn boek aan te tonen dat het hele oeuvre van Wagner een zorgvuldig overwogen en geprogrammeerd monument van antisemitisme is. Het uiten en stimuleren van jodenhaat is volgens hem het uitgangspunt en het vooropgezette doel van alle opera's van Wagner. En de Wagnerliefhebber kan zich volgens Rose niet verschuilen achter het idee dat Wagner in maatschappelijk opzicht een bewonderenswaardige revolutionair was, een later verbannen strijder op de barricaden tijdens de opstand in Dresden in 1849 tegen het oude regime. Evenmin is Wagner volgens Rose de profeet van de betere samenleving, die waarschuwt tegen materialisme, de opkomst van het industrieel kapitalisme en het verloren gaan van menselijke gevoelens, zoals hij honderd jaar na de premiere in 1976 door Patrice Chereau werd gezien in de Bayreuthproduktie van Der Ring des Nibelungen. Volgens Rose komen Wagners revolutionaire denkbeelden juist voort uit zijn antisemitisme en vormt zijn ideeenwereld daarmee een onlosmakelijk geheel. Het is volgens hem het fundament geweest voor nazisme, voor Hitler, voor de Tweede Wereldoorlog en voor de holocaust. Merkwaardig is het dat Rose aan het slot van zijn boek slechts een pleidooi houdt voor het handhaven van het verbod op Wagner in Israel. Want na lezing van deze analyse voelt de bewonderaar van Wagner dat hij eigenlijk in de ogen van Rose alsnog moet aanschuiven in het verdachtenbankje van het oorlogstribunaal in Neurenberg.

Ook al is er af te dingen op de stellingen van Rose, ze zijn de voortzetting van een lange traditie. Na meer dan anderhalve eeuw van controverses blijft Wagner een steen des aanstoots, een niet weg te ruimen opstapeling van onverklaarbaarheden. Hij is niet langer alleen "ein deutsches `rgernis', zoals de ondertitel luidt van een zeer kritisch boek dat het tijdschrift Der Spiegel (Rowohlt) tien jaar geleden aan Wagner wijdde. Hoe meer zijn muziek internationale verbreiding en waardering krijgt, des te wereldomvattender wordt ook de ergernis en afschuw die hij tegelijkertijd oproept, wanneer men tenminste diepgaander kennis neemt van zijn werk en zijn denkbeelden dan door alleen maar te luisteren naar zijn muziek.

Megalomanie

Al tijdens Wagners leven werden 10.180 publikaties aan hem gewijd, zo telde Nikolaus Oesterlin. Het karakter ervan varieerde van mateloze bewondering, gedreven uitleg en duiding van zijn werk, via milde ironie en venijnige spotzucht over zijn megalomanie tot de scherpst mogelijke afkeuring over zijn artistieke en maatschappelijke opvattingen.

Friedrich Nietzsche was de verpersoonlijking van de controverses om Wagner, want hij maakte al die houdingen achtereenvolgens zelf door. Aanvankelijk kende Nietzsche's vriendschap met Wagner en zijn waardering voor hem als denker, als kunstenaar en als mens, geen grenzen. “Wagner is werkelijk alles wat wij van hem hebben gehoopt: een overdadig rijke en grote geest, een energieke persoonlijkheid en een betoverend beminnelijk mens.” Daarna kwamen de twijfels, de intieme verstandhouding ging teloor en Nietzsche's woede en minachting culmineerden in 1888, vijf jaar na Wagners dood, in drie publikaties. Hij wilde, net als Rose nu weer probeert, volledig met Wagner afrekenen, de componist alsnog teniet doen, elke herinnering aan zijn gedachtenwereld uitroeien. De dode Wagner onder zijn grafsteen achter zijn villa Wahnfried die hij al bij zijn leven had laten leggen, moest nog doder. Hij mocht eigenlijk nooit hebben geleefd.

Der Fall Wagner van Nietzsche was "een genadeloze oorlogsverklaring aan deze hele beweging'. Het pamflet begint _ kan het gemener? _ zelfs met een lofzang op de Carmen van Bizet, die hij voor de twintigste keer heeft gehoord. "Wie ein solches Werk vervollkomnet! Man wird selbst dabei zum Meisterstuck.' En het eindigt met de wens dat de muziek niet verwordt tot een kunst om te liegen. Vervolgens schreef hij Nietzsche contra Wagner en daarna nog Gotzen-Dammerung. "Wat op het titelblad afgoden heet, is heel eenvoudig dat wat tot voor kort de waarheid werd genoemd. Gotzen-Dammerung betekent in het Duits: er komt een eind aan de oude waarheid.' Het was de tijd waarin Nietzsche werkte aan Der Wille zur Macht. Versuch einer Umwertung aller Werte.

Sinds Wagners dood en de geschriften van Nietzsche, die elke discussie hadden moeten doen verstommen, is het aantal publikaties over Wagner tot ontelbare, waarschijnlijk zelfs astronomische aantallen gestegen. Wagners persoonlijkheid en karaktertrekken, zijn muziek, de opera's, de libretti daarvoor, zijn geschriften, beschouwingen, brieven, zijn autobiografie Mein Leben en de dagboeken van zijn echtgenote Cosima, vormen tezamen een vrijwel ondoordringbaar geheel. Het is zo omvangrijk dat het eigenlijk fysiek al nauwelijks mogelijk is om van dat alles kennis te nemen, laat staan het geestelijk te doorgronden en er een consistente houding tegenover aan te nemen.

Bovendien wordt onze mening over Wagner nog beinvloed door de manier waarop anderen hem sinds zijn dood hebben verguisd of verafgood. Zijn antisemitisme is verklaard, vergoelijkt en uitgebuit. Het door hem gestichte Festspielhaus in Bayreuth groeide onder de hoede van zijn familie uit tot een voor Hitler heilig theater. Kunnen of moeten we daarvoor Wagner ook achteraf persoonlijk verantwoordelijk houden?

Rose vindt van wel. Zo rabiaat is hij daarin dat zijn drang om in letterlijk alles wat met Wagner te maken heeft antisemitisme in allerlei soorten en verschijningsvormen te ontdekken dat die fobie zelfs Wagneriaanse trekken krijgt. Hij geeft toe dat Wagner de onmiskenbare jood niet ten tonele voert, maar niettemin ziet hij overal "de wandelende jood'. De figuur van Alberich in Der Ring des Nibelungen is volgens Rose de personificatie van "wrede Judeo-christelijke toewijding aan hebzucht en machtswellust'. Klingsor in Parsifal representeert "een meer sophisticated joods-christelijke (of "jezuitische') visie op het abstracte concept van eigendom'.

Talloos zijn de noten, verwijzingen en halve citaten maar op het laatst levert Rose geen echte argumenten meer voor zijn stellingen. De burgers in het stadje waar in Der fliegende Hollander Senta woont, willen handeldrijven met de Hollander en die geldzucht kenmerkt volgens Rose "de essentiele joodsheid van de burgerlijke samenleving'. Ook in Tristan und Isolde ziet Rose antisemitisme, omdat de opera gaat "over verloochening van het zelf en van de egoistische wil, terwijl de joden de opperste belichaming vormen van egoisme'.

Wagners christelijke opinies deugen volgens Rose niet omdat ze per definitie antisemitisch zijn. Ze komen voort uit het oude verwijt dat de joden Christus hebben gedood. De ernst van die grief zou volgens Rose bij Wagner nog zijn verhevigd "omdat het duidelijk is dat Wagner neigde naar de mening van Fichte en Schopenhauer dat Jezus van arische afkomst was'. Een jood zou immers geen gevoelens van medelijden kunnen hebben. En, even erg als antisemitisme, ontdekt Rose in Parsifal ook nog een omarming van het Darwinisme, dat niet deugt omdat het "misschien wel religieus is maar nauwelijks christelijk'.

Paradepas

Al ondergraaft Rose zijn opinies door zijn blinde fanatisme, het geval Wagner blijft actueel en roept nog steeds onbeantwoordbare vragen op. Is het mogelijk, zoals Nietzsche vreest, om met muziek te liegen? Nee, kan men vinden, muziek is per definitie abstract en waardenvrij, kan alleen maar naar zichzelf verwijzen, zoals Strawinsky zei. Ja, kan men van oordeel zijn, muziek kan wel degelijk refereren aan buitenmuzikale noties. Marsmuziek is nu eenmaal verbonden met marcheren, het tempo van de paradepas en daarmee met agressie. En operamuziek sluit aan bij een libretto, met een verhaal dat betekenis heeft, met de moraal en de symboliek daarvan, waarmee men het hartgrondig oneens kan zijn.

En een andere vraag die het geval Wagner oproept, maar ook bij voorbeeld de gevallen Shakespeare, Celine en Sjostakowitsj, is even moeilijk te beantwoorden omdat die raakt aan de oorsprong van kunst. Kan men onbegrensde en ongeconditioneerde bewondering hebben voor een kunstwerk, als men twijfel heeft of afschuw voelt over morele en politieke opvattingen van een kunstenaar? Mag of kan men uitingen van antisemitisme alleen beoordelen naar de normen van de tijd waarin ze voorkwamen of gelden daarvoor ook achteraf diepere, "eeuwiger' normen? Is de karakterisering van Shylock in Shakespeare's De koopman van Venetie een voorbeeld van antisemitisme? En zo ja, straalt dat dan ook af op Shakespeare's andere stukken? Kan men de schrijfstijl van Celine bewonderen zonder zich iets aan te trekken van zijn maatschappelijke of morele opvattingen? Hoe moet men een houding bepalen ten opzichte van Sjostakowitsj _ geven zijn conflicten met Stalin en de "verborgen kritiek' in zijn muziek de doorslag, of mag men hem met reden de ook door hem geaccepteerde officiele erkenning door de voormannen van het duivelse communisme euvel duiden?

Het antisemitisme van Wagner lijkt in onze ogen erger of verderfelijker geworden door de gebeurtenissen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog dan het was gedurende de vorige eeuw, toen het wellicht "normaler', "vanzelfsprekender' of "gebruikelijker' was. Moet men daarom _ nu neo-nazisme, vreemdelingenhaat, racisme en antisemitisme opnieuw de kop opsteken in Duitsland, maar ook daarbuiten _ weer krachtiger stelling nemen tegen Wagner? Bestaat er een rechtvaardiging voor een soort morele conjunctuur, waarbij Wagner nu eens is toegestaan en dan weer taboe is?

Het antwoord daarop weet ik niet. De problematiek wringt wel bij het formuleren van deze vragen, maar toch niet als ik luister naar Wagners muziek of kijk naar video's van zijn opera's. Ik voel mij niet door hem geinfecteerd. Zelfs al zouden Alberich en Klingsor zijn bedoeld als joodse types, zo doen ze zich niet aan mij voor, omdat ik geen enkele behoefte heb ze op die manier te zien.

Onaantastbaar

Met het grootste plezier heb ik daarom _ ook na het lezen van het boek van Rose _ als enthousiast Wagnerliefhebber geluisterd naar delen uit de Wagner-editie van Philips en de uitvoeringen van de Ring onder leiding van Haitink en Levine. De Bayreuther Ring uit 1976 van regisseur Patrice Chereau en dirigent Pierre Boulez blijft op video en op cd na al die jaren nog steeds een historische uitvoering met een onaantastbaar vernieuwend karakter. Boulez dirigeert zilverig helder, ritmisch heel enerverend en prachtig gedetailleerd, de zangers hebben veelal aangenaam jonge stemmen. Gwyneth Jones is een legendarische Brunnhilde, Peter Hofman is een ideale blondharige Siegmund en Heinz Zednik is een uniek vertolker van kleinere rollen als Loge en Mime.

De status van Zednik op dit gebied blijkt ook uit het feit dat hij optreedt bij zowel Levine als Haitink. Teleurstellende onevenwichtigheden in de vocale bezetting zijn bij een Ring nauwelijks te vermijden. Bij de Newyorkse Ring van Levine op cd is dat helaas de Siegfried van Reiner Goldberg. Op de video, in de quasi-historische enscenering van Otto Schenk, wordt Siegfried vertolkt door Siegfried Jerusalem, ook de Siegfried bij Haitink. Hildegard Behrens is een uitstekende Brunnhilde bij Levine, die een minder vaste greep heeft op de partituur dan op zijn orkest.

Bernard Haitink, die in dezelfde jaren dat hij bij Covent Garden in Londen een Ring dirigeerde, er ook een opnam in Munchen met het orkest van de Bayerische Rundfunk, levert op cd een geweldige prestatie. Zijn klankkleur is wat donkerder, warmer en levendiger dan die van Boulez en hij toont een groot theatraal en dramatisch gevoel. In relatief korte tijd is Haitink, mede op basis van zijn ervaring met de grote werken van Bruckner en Mahler, uitgegroeid tot een Wagnerdirigent van enorme allure.

    • Kasper Jansen