Knor, knor; Glorie en agonie van het varken

Varkens zijn even geschikt om als huisdier te worden gehouden als honden en katten. Ze zijn lief, intelligent en van nature schoon en kieskeurig. “Honden zijn door ons van in de mest rollende aaseters in de loop der eeuwen in aardige dieren veranderd. Met varkens hebben wij vreemd genoeg het omgekeerde gedaan.”

James Long: The Book of the Pig, London, Upcott Gill, 1902.

F.C. Sillar & R.M. Meyer: The Symbolic Pig, London, Oliver & Boyd, 1961.

Philip Levine: Not This Pig, Wesleyan University Press, 1966.

William Hedgepeth: The Hog Book, New York, Doubleday & Co, 1978.

Jack Denton Scott: The Book of the Pig, New York, Putnam, 1981.

Laurie Platt Winfrey: Pig Appeal, New York, Walker 1982.

Russell Ash: The Pig Book, London, Ebury Press, 1985.

Marilyn Nissenson & Susan Jonas: The Ubiquitous Pig, New York, H.N. Abrams, 1992.

Met het zojuist verschenen The Ubiquitous Pig, door Marilyn Nissenson en Susan Jonas (H.N. Abrams, New York 1992) is het aantal varkensboeken in mijn bezit gestegen tot vijf. Ik voorspel dat er over tien jaar dozijnen van zulke boeken zullen bestaan. De liefde voor het varken wint terrein.

Terecht, want varkens zijn lief en intelligent, even geschikt om als huisdier te worden gehouden als honden en katten, zoniet beter. All animals are equal, but the pigs are more equal, schreef George Orwell al in Animal Farm. Ook in The Ubiquitous Pig wordt geargumenteerd dat varkens van alle door de mens gedomesticeerde dieren het intelligentst zijn, zoals o.a. is gebleken uit een vijfjarig onderzoek aan de Universiteit van Kentucky. Ze overtreffen de hond verre in de geheugencapaciteit en het vermogen problemen op te lossen, en kunnen alles wat honden kunnen, alleen beter en ze leren sneller. Varkens kunnen leren apporteren, om het hardst lopen, op hun achterpoten dansen, een wagentje trekken, "achter' lopen (to heel), spoorzoeken en zelfs landmijnen opsporen (ik herinner me trouwens reportages over een speurvarken dat in Duitsland gebruikt werd om verborgen hasjiesj te vinden en dat efficiënter deed dan speciaal voor dit doel getrainde honden). Varkens zijn van nature schoon en kieskeurig met hun voedsel (het is de mens die van het varken een viespeuk maakt, schrijft ook Johannes van Dam in het kortgeleden verschenen Alles moet op); zij zijn gemakkelijk zindelijk te maken en onderscheiden zich door een opmerkelijke nieuwsgierigheid. Je komt geregeld getuigenissen tegen over hun liefde voor muziek en ze kijken graag televisie.

Een boek dat hierover veel meer materiaal bevat en ook in het algemeen serieuzer en interessanter van opzet is (het eerder genoemde komt meer in de buurt van een foto- of salontafelboek), is The Hog Book van William Hedgepeth (Doubleday, New York 1978), lang geleden verramsjt en nooit herdrukt. Het bevat o.a. het relaas van een Amerikaanse boerenjongen, Fred Kerslake, die rond 1900 een aantal biggen aantrof bij een dode zeug; hij bracht ze met de fles groot "en werd (onvermijdelijk) getroffen door hun buitengewone intelligentie'. Spelenderwijs kwam hij er toe de dieren kunstjes te leren; het groeide uit tot een circusnummer dat over heel Amerika beroemd werd en zelfs tien jaar lang in Europa op tournee verbleef, onder de naam "Fred's Pigs'. Een kranteverslag uit die tijd geeft er een idee van: "Fred's Pigs waren uitstekend getraind en voerden hun kunsten op zo natuurlijke wijze uit dat bij de toeschouwers de indruk werd gewekt dat de varkens zelf een ontwikkeld gevoel voor humor hadden en dat demonstreerden door hun trainer poetsen te bakken die veel vrolijkheid veroorzaakten.'

"The Barnum and Bailey Troupe of Very Remarkable Trained Pigs', aldus een affiche uit 1892, "Performing Numerous Difficult, Clever & Wonderful Tricks, Animals Showing Almost Human Intelligence & Reason.' Dit omvatte het spelen van God Save the Queen en Yankee Doodle op een xylofoon, waarbij het varken de hamer in de bek hield. Die muzikaliteit is een telkens terugkomend gegeven: een andere Amerikaanse hillbilly die een variéténummer met varkens placht op te voeren vertelt over de ster van zijn show, Oink, die "eenvoudig alles zingt wat je wilt dat hij zingt... Bijvoorbeeld, ik zing "I'm Popeye the Sailor Man' en dan komt hij er achteraan met "knor, knor'. En als ik zing "Home on the Range', dan doet hij "uhh-uhh-uhhhh-uh-uh-uh', zuiver, uit zichzelf. En hij kan ook toonladders doen. Hij begint met een bas-knor en zo verder tot aan de hoge C - hij begint erg laag, werkelijk - dan zingt hij "uuh, oh, ah, oOH, AHH, EHH, EEE...' - dan zeg ik: "nu de hoge C!' en dan doet hij "ooef'.'

"Als ze niet optreden scharrelen de varkens gewoon wat rond en doen wat varkens plezierig vinden. "We hoeven niet veel te oefenen,' zegt hij, "Dat is het interessante met varkens. Je hoeft het ze maar een keer te leren en daarna weten ze hoe het moet. Ik heb nu genoeg nummertjes ingestudeerd, zodat ik er niets meer bij hoef te doen. Dus oefenen we nooit, alleen wanneer ik er een nieuw varken bij krijg.'

De muzikaliteit van varkens kreeg een grote bekendheid door "Arnold Ziffel', een kleine Chester White (een varkenssoort) die optrad in het programma "Green Acres' op CBS-TV in de jaren zestig. Hij speelde piano. Hij kon ook deuren openmaken, brieven uit de brievenbus halen, de ijskast openmaken en er eten uit nemen, rolschaatsen, schoolboeken en kranten dragen, een wagentje trekken, een potlood in zijn mond houden en limonade drinken door een rietje. Hij hield van Westerns op de televisie en kon het toestel zelf aan en uit doen.

Ook Arnolds trainer, Frank Inn, bevestigt dat varkens sneller leren dan andere dieren. "We deden een keer een two-shot sequence met Arnold en een paard, en het was geen vergelijking. Arnold vloog moeiteloos door zijn scènes, terwijl we dat paard er letterlijk doorheen moesten zeulen.' ... "Je kunt een hond, een chimpansee of een paard dwingen om iets te doen, maar met een varken is dat onmogelijk. Varkens accepteren geen straf. Reprimandes hebben wel resultaat met een hond, maar met een varken, nooit. Als je een varken een standje geeft neemt hem dat tegen je in, hij reageert niet meer en neemt zelfs geen eten meer van je aan. Varkens hebben karakter. Als je ze afsnauwt, snauwen ze terug. En toch heb ik van varkens veel meer gedaan gekregen dan de meeste mensen ooit met honden is gelukt.'

Arnold was het idool van televisiekijkende kinderen, er bestonden fan clubs en er was zelfs een hele zesde klas in een school in Ohio die collectief beloofde nooit meer varkensvlees te zullen eten.

Ziedaar een beslissing die ik zelf ook al geruime tijd geleden heb genomen. Ik ben geen vegetariër, zoals ik ook verder nu eenmaal niet zonder zonden ben. Maar varkensvlees probeer ik te vermijden. Wanneer mensen het mij in onschuld voorzetten volsta ik met een minieme portie, maar als het mij van te voren wordt gevraagd zeg ik nee, merci, geen varkensvlees. Geen worst, geen spek, geen ham, en ook geen sateh van dit dier. Kambing yes, babi no.

Een beschaafd mens eet geen varkensvlees. Niet uit afkeer van varkens, maar integendeel, uit liefde. Ook ik ben er van overtuigd dat alle minder plezierige aspecten van het varken door mensen zijn aangekweekt en uitgeselecteerd. Honden zijn door ons van weerzinwekkende, in de mest rollende aaseters in de loop der eeuwen in aardige dieren als tekkels en foxen, Jack Russells en Labradors veranderd. Met varkens hebben wij vreemd genoeg het omgekeerde gedaan. In mijn jeugd in Nederlands-Indië hadden mijn ouders als huisdier een wild zwijntje dat mijn moeder met de fles had grootgebracht; ik herinner me het als een lekker ruikend, zindelijk, speels en aanhalig dier, dat niet alleen bij iedereen opzien baarde door zijn intelligentie ("Jan verstaat Hollands', placht mijn vader te zeggen), maar ook door het feit dat hij zijn stemmingen kon vertalen in een groot scala van bijna menselijke knorgeluiden. Als de mensheid evenveel geduld en energie had besteed aan fokken en uitselecteren van dergelijke eigenschappen, in plaats van ballonvorm, gigantisme, zo groot mogelijke vruchtbaarheid, gewenning aan smeerboel en een zo klein mogelijke schedel, zou vermoedelijk een andere diersoort tot Man's Best Friend zijn uitgeroepen.

Wie zich merkwaardig genoeg 75 jaar geleden al eens in die zin heeft uitgelaten is G.K. Chesterton, in The Uses of Diversity: "We weten niet wat voor fascinerende variaties zouden ontstaan als varkens huisdieren waren... Er zouden kleine speelse soorten kunnen bestaan zoals Ierse of Schotse terriërs; er zouden aandoenlijke rassen kunnen zijn zoals King Charles spaniels... Met gepaste training zouden er schaapsvarkens kunnen bestaan inplaats van schaapshonden, en schootvarkens in plaats van schoothonden.'

Nog in de Middeleeuwen waren varkens zwarte en rank gebouwde dieren, ongeveer zoals op de hierbij afgedrukte illustratie van kaartlezende en Home Sweet Home-bellende schattebouten. Buiten Europa bestaan zulke varkens gelukkig nog, nu bekend als "minipigs', kleine soorten uit Azië en Yucatan, die het juiste formaat voor huisdieren hebben: ca. 50 cm hoog en 30 tot 50 kilo wegend, d.w.z. een tiende van een volwassen Hampshire of Duroc.

Tussen de varkensknipsels die ik verzamel is er een over wat genoemd wordt "het kleinste varkentje van Nederland.' Het is een Vietnamees hangbuikzwijntje, "nauwelijks groter dan een kinderhand'. Volgens Hedgepeth is het kleinste varken de Pygmy Hog (Sus salvanius) uit Nepal en de Himalaya, ongeveer dertig centimeter hoog, waarvan de biggen bij de geboorte niet veel groter zijn dan een pakje sigaretten. In 1991 waren er in Amerika ongeveer 10.000 huishoudens met een minivarken, aldus The Ubiquitous Pig, en de vraag overtreft het aanbod.

Ik hoop innig dat deze ontwikkeling zich voortzet, ook hier, en ten koste van de varkenshouderij zoals die in Nederland wordt beoefend, een nameloze verschrikking waaraan op korte termijn een einde zou moeten worden gemaakt. Een dergelijke behandeling van onverschillig welk dier zou al verboden moeten zijn, maar voor varkens is het een bijna menselijke tragedie als gevolg van hun grote intelligentie. Als ik zeg dat een beschaafd mens geen varkensvlees eet doel ik daar op.

    • Rudy Kousbroek