Kamer: geen complot van overheid in affaire-Bosio

DEN HAAG, 23 OKT. De Tweede Kamer onderschrijft de conclusies van de Kamercommissie-Tommel, die onderzoek heeft gedaan naar de Bosio-affaire, dat deze Franse zakenman niet het slachtoffer is geworden van een complot van de Nederlandse overheid en Amerikaanse inlichtingendiensten. Minister Hirsch Ballin (justitie) heeft de Kamer toegezegd informatie te geven over de positie van agenten van buitenlandse inlichtingendiensten in Nederland.

De Kamer beschouwt de Bosio-zaak hiermee als afgesloten. De Fransman M. Bosio kreeg in 1982 van het ministerie van economische zaken een subsidie voor het opzetten van een handel in airconditioners voor auto's. Volgens Bosio is zijn bedrijf met medeweten van de Nederlandse overheid gebruikt door agenten van de Amerikanaanse geheime diensten voor de handel in drugs en wapens. Op 28 oktober 1985 werd een aan Bosio geadresserde container met copra en marihuana in de Antwerpse haven in beslaggenomen.

De commissie heeft geen bewijs kunnen vinden voor de beschuldigingen van Bosio. De commissie had ook als taak de relatie tussen de uit Ghana afkomstige container met drugs en het bedrijf van Bosio vast te stellen. Die drugs waren besteld door een medewerker van het bedrijf die ook als informant voor geheime diensten optrad. Het is volgens D. Tommel (D66) onduidelijk gebleven of dit een eenmalige affaire was, of dat het een onderdeel vormde van een veel grotere operatie.

Ondanks de weigering van de Belgische autoriteiten om aan het onderzoek mee te werken, zegt de commissie zich tot in detail een beeld te hebben kunnen vormen van het doen en laten van Bosio's bedrijf. Op het formele verzoek aan de Belgische autoriteiten om inlichtingen werd geantwoord dat het rechtshulpverdrag alleen geldt voor strafrechtelijke onderzoeken en dat er geen verplichting tot het geven van informatie bestaat bij fact finding, zoals het onderzoek van de bijzonder Kamercommissie. Op de daarop volgende informele verzoeken, waaronder een persoonlijke brief van Hirsch Ballin aan zijn Belgische ambtgenoot, bleef het antwoord uit. De minister zei slechts te kunnen gissen naar de reden daarvan. Belangrijk was het volgens hem niet: “Van de dienst Luchtvaart van de Rijkspolitie op Schiphol weten we precies hoe de zaak in Antwerpen is verlopen.”

Minister Hirsch Ballin zei dat buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland niet zonder toestemming van politie of openbaar ministerie opereren. “Daar is in de zaak-Bosio niet van afgeweken.” De minister kondigde een nieuwe modelregeling aan voor het gedrag van buitenlandse agenten, gebaseerd op de huidige praktijk in Europa. De minister zegde toe de Kamer daarover vertrouwelijk te informeren. Als een informant zich schuldig maakt aan strafbare feiten is het volgens Hirsch Ballin een zaak van het openbaar ministerie of hij daarvoor vervolgd moet worden.

M. Bosio reageerde teleurgesteld op de afloop van het Kamerdebat over de conclusie van de commissie. “Het was een grote maskerade, de werkelijke vragen zijn nog steeds niet beantwoord. En waarom zegt de minister dat mijn verblijfsvergunning een zaak is van de staatssecretaris. Het is toch zijn staatssecretaris.”