Joop is de vader, Joop is de baas; De musical-gekte in Nederland

De musical heeft in Nederland lange tijd in de kinderschoenen gestaan. Maar sinds het succes van de musicals Cats en Cyrano breekt een nieuwe trend door: niet de tekst maar de muziek staat voorop en de bedenker houdt supervisie over alle voorstellingen over de hele wereld. Binnenkort gaat voor het eerst een Nederlandse musical op Broadway lopen en over een jaar opent het vernieuwde Circustheater zijn deuren.

Een kwartier na middernacht, in een van de ontvangstruimten van het Barbizon-hotel in Amsterdam. Aan de overkant, in de cafés aan het Leidseplein, wordt hier en daar nog nagepraat door groepjes die eerder op de avond in de Stadsschouwburg hun ogen hebben uitgekeken op de nieuwe Nederlandse musical Cyrano. De spelers, de muzikanten, de technici en de produktionele medewerkers van de show zijn na gedane arbeid uitgenodigd voor een party in het nabije Barbizon ter gelegenheid van het verschijnen van de cd. Ze applaudisseren als de man van de platenmaatschappij zegt dat er binnen een dag of vier al 11.000 cd's zijn verkocht, en ze drommen samen op de dansvloer als Joop de groepsfoto's regisseert. Joop is de vader, Joop is de baas.

Terzijde van het feestgewoel vertelt producent Joop van den Ende even later dat hij dezer dagen een ingewikkelde knoop moet doorhakken. Cyrano is, artistiek en commercieel, een hit. Tot eind mei zijn bijna alle theaterzalen van de tournee uitverkocht. Het regent aanvragen om volgend seizoen door te spelen; in potlood zijn al 170 extra voorstellingen geboekt. Maar zijn paradoxale probleem is dat een verlenging van de tournee hem nog meer verlies zou opleveren dan hij nu al moet incasseren. Elke extra voorstelling betekent extra verlies. De produktie heeft circa tien miljoen gulden gekost. “Ik heb er een apart investeringsbudget van mijn bedrijf voor moeten aanspreken,” zegt hij, “want vantevoren stond voor mij al vast dat ik het binnen Nederland nooit zou kunnen terugverdienen. Door de hoge kosten van het reizen is dat volkomen onmogelijk. In financieel opzicht is Cyrano voor mij puur een investering in de internationale markt.”

Begin november reist Van den Ende naar New York om te onderhandelen over een Broadway-versie van de musical. Niet met de pet in de hand, maar met het zelfvertrouwen van de internationale theaterproducent die weet dat hij "een kwaliteitsprodukt' in handen heeft. Hij zal zelf, als coproducent van de Amerikaanse show, een beslissende stem hebben in alle artistieke en commerciële beslissingen. “Wat dat betreft heb ik de kunst van de grote Engelse en Amerikaanse producenten afgekeken,” zegt hij glunderend. “Ik weet nu ook hoe het moet.”

Hoewel van Nederlandse makelij, is Cyrano vanaf het begin opgezet naar internationale musicalmaatstaven. Het zwierige logo is, na de mislukte pogingen van een reeks Nederlandse vormgevers, vervaardigd door het Londense ontwerpbureau DeWynters dat ook de - overal toegepaste - logo's voor musicals als Cats en Les Misérables maakte. En voor de muziekarrangementen week Van den Ende eveneens naar Londen uit: “Ik heb proefarrangementen laten maken door zes Nederlandse arrangeurs, maar ze kwamen allemaal met zo'n poppy platensoundje. Dat zocht ik niet. Ik wilde een oorspronkelijk geluid met exportkwaliteit.” Daarop heeft hij een Engelse arrangeur ingeschakeld die drie jaar lang music supervisor is geweest bij Andrew Lloyd Webber, de componist van wereldhits als Evita, Cats, The Phantom of the Opera, Starlight Express en Jesus Christ Superstar. “Natuurlijk is er in Nederland veel talent, maar als je de internationale markt op wilt, moet je je produkt ook meteen op dat niveau neerzetten. En niet blijven steken bij Purmerend, Amsterdam en Groningen.”

Spektakel

Tot dusver kwam de Nederlandse musical inderdaad niet verder. Het genre was hier sinds de jaren zestig, afgezien van enkele uit het buitenland overgenomen succesnummers als My fair lady en Anatevka, vooral herkenbaar aan de cabareteske afkomst van auteurs als Annie M.G. Schmidt (in de allereerste plaats) en degenen die in haar voetsporen traden: Jos Brink, Guus Vleugel, Seth Gaaikema, Robert Long en dit seizoen Haye van der Heyden. Er is in de loop der jaren wel enig theaterspektakel aan toegevoegd, er wordt zelfs af en toe behoorlijk gedanst, maar de musical staat in Nederland nog steeds in het teken van de tekst. Eerst was er de tekstschrijver, daarna heeft een componist er muziek bij gemaakt.

Dat is in Amerika, waar de musical werd geboren, andersom: daar vallen eerst de namen van Richard Rogers, George Gershwin, Jerome Kern of Leonard Bernstein en pas daarna die van hun tekstdichters. Nog sterker geldt dat nu voor de Britse succescomponist en -ondernemer Andrew Lloyd Webber; hij kiest per project een auteur, die zijn naam slechts in een ondergeschikte positie op de affiches zal terugvinden.

Lloyd Webber stond, met zijn toenmalige producent Cameron Mackintosh, aan de basis van de musical als package deal. De buitenlander die belangstelling heeft om van een van hun produkties een lokale versie te maken, koopt niet slechts een script en een partituur, maar bindt zich tegelijkertijd aan een dwingend voorgeschreven enscenering, decor- en kostuumontwerpen, logo, programmaboek- en affiche-ontwerp en een creative team uit Londen dat niet alleen de voorstelling instudeert, maar ook het laatste woord heeft over de rolbezetting. Nederlandse reputaties spelen daarbij geen rol. Paul de Leeuw werd door de Londense delegatie pas na langdurig Nederlands aandringen en bij hoge uitzondering geaccepteerd als de komische waard in Les Misérables (men vond hem te jong) - en wie straks de hoofdrol in de Nederlandse versie van The Phantom of the Opera mag spelen, wordt niet bepaald door de Nederlandse producent, maar door het internationale creative team dat binnenkort de eerste audities zal bijwonen. In het vuistdikke contract is de vormgeving van de show en alle begeleidende drukwerk reeds vastgelegd.

Toen het Amsterdamse theater Carré bij zijn honderdjarig bestaan, in 1987, besloot een Nederlandse versie van de Lloyd Webber-show Cats te presenteren, maakte men hier voor het eerst kennis met de produktiewijze onder buitenlandse supervisie. Het gevolg was een internationale groep dansers en zangers, omdat in eigen land niet voldoende talent te vinden was dat kon voldoen aan de Engelse maatstaven. Een tweede novum was dat de show niet op tournee ging, maar alleen een half jaar in Carré bleef staan. Menig insider vroeg zich af of het Nederlandse publiek, immers gewend aan de knusse Nederlandse musical die in elk theater in het land onder handbereik komt, bereid zou zijn de reis naar Amsterdam te ondernemen.

Dat was het geval. Zozeer dat Carré in 1988 een succesvolle reprise van Cats produceerde en er eind november voor de derde keer aan begint. “Deze laatste keer overigens niet omdat we dat zelf zo graag wilden,” zegt adjunctdirecteur Hubert Atjak, “maar omdat we wegens de verbouwingen de komende maanden geen toneelhuis hebben en dus een produktie zochten die in de piste kan worden gespeeld. Er deed zich niets anders voor dan Cats. Maar de publieke belangstelling is wederom groot; de kaartverkoop loopt al tegen de 100.000 aan. Dat betekent dat we nu al tot en met maart de helft van alle kaarten hebben verkocht.”

Jaloers

Joop van den Ende beaamt dat die eerste Cats in Carré van beslissende betekenis was voor de produktie van internationale musicals in Nederland. “Ik wilde zelf al eerder op die schaal aan het werk, maar het geloof in het uiteindelijke succes ontbrak toen nog. Bovendien had ik uitgerekend dat het hier, met al dat onvermijdelijke reizen door het hele land, financieel nooit zou kunnen. Maar toen het hele land bereid bleek om naar Amsterdam te komen, zei ik tegen mezelf: het kan dus wèl. Bij de première heb ik de Carré-directie een kist met mooie flessen gestuurd en een kaartje erbij: ik ben hartstikke jaloers, maar ik feliciteer jullie. En meteen daarna ben ik met ze gaan praten over Les Misérables. Ik wilde daar acht maanden mee in Carré en dus niet op reis.”

Carré stond - en staat - echter op het standpunt dat het theater in principe bedoeld is voor "een zo breed mogelijke presentatie van alle mogelijke theatergenres' en niet voor maandenlange series van één produktie. Pas door de Carré-directie tot medeproducent te maken, slaagde Van den Ende in zijn opzet. “Het zijn uiteindelijk negen maanden geworden. En dan merk je opeens dat je er, zonder die hoge kosten van reizen en telkens op- en afbreken, financieel uit kunt komen. Die serie in Carré heeft een kleine winst opgeleverd - en toen we daarna ook nog een half jaar in het Circustheater terecht konden, hebben we er ten slotte leuk aan verdiend.”

Les Misérables is van Franse origine, maar de wereldrechten berusten bij de intussen van Lloyd Webber afgescheiden producent Cameron Mackintosh. Als een boze droom herinnert Van den Ende zich nog hoe zijn Britse tegenvoeter voor het eerst Carré inspecteerde en onmiddellijk een machtswoord uitsprak: de toneelvloer was naar 's mans oordeel veel te klein, hij kon onmogelijk toestemming geven om hier zijn show te laten ensceneren. De grote producent kon pas worden vermurwd, toen de vasthoudende Nederlanders erin slaagden de oorspronkelijke (Amerikaanse) decorontwerper een aan Carré aangepast toneelbeeld te laten maken. “Het bleek te kunnen. En toen ging Mackintosh door de knieën.”

Inmiddels groeide bij de Aalsmeerse amusementsfabrikant het heftige verlangen naar een eigen musicaltheater, waar hij zijn produkties - naar het voorbeeld van Londen, New York of Wenen - net zo lang kon laten staan tot er geen publiek meer zou komen. “Want kijk, wat er bijvoorbeeld met Cats is gebeurd, is in de ogen van die Engelsen je reinste kapitaalsvernietiging. Steeds zo'n produktie weer opbreken en dan toch weer terug laten komen, met alle voorbereidingskosten en alle publiciteit die je telkens weer moet opstarten, dat is natuurlijk gekkenwerk. Mackintosh zei het óók tegen mij: bouw toch gewoon je eigen theater, joh. Thuis, aan mijn keukentafel, heb ik zitten uitrekenen wat dat zou gaan kosten. Ik kwam op 32 miljoen.”

Het worden er, nu Van den Ende met twee compagnons (de Maastrichtse miljonair Benoit Wesley en de Amsterdamse producent/publicist Henk van der Meijden) een bestaand theater gaat renoveren, tien miljoen minder. Nadat in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht geen toestemming voor de bouw van een nieuwe schouwburg kon worden verkregen, is het oog gevallen op het nu nog sjofel ogende Circustheater in Scheveningen. “Toen we daar stonden met Les Misérables, bleek 81 procent van het publiek van elders uit het land te komen - hetzelfde percentage als in Carré. Dat gaf voor mij de doorslag, de nationale uitstraling was dus geen probleem.”

Hachelijk

De gemeente Den Haag verkocht het verlies lijdende gebouw voor één symbolische gulden aan het trotse trio nieuwe eigenaren. De metamorfose vergt 22 miljoen gulden en moet in augustus 1993 voltooid zijn; dan presenteert Van den Ende er The Phantom of the Opera van Andrew Lloyd Webber, al jarenlang een onverbiddelijke trekpleister in Londen en op Broadway. En voor het eerst zal hij dan op de Nederlandse markt het verschijnsel van de open end-bespeling kunnen introduceren: de speelperiode is niet al vooraf bepaald, de show blijft staan tot de publieke belangstelling te zeer zou teruglopen. De contracten met alle medewerkers worden telkens voor zes maanden gesloten en voor de kaartverkoop geldt dezelfde termijn. “Het wordt een hachelijk, risicovol avontuur,” verwacht de producent. “Elk half jaar zullen we moeten beslissen over doorspelen of stoppen.” Als de show een jaar lang volle zalen trekt, zijn de produktiekosten (14 miljoen gulden) terugverdiend. Daarna wordt winst gemaakt. Tijdens vlagen van optimisme hoopt Van den Ende wel eens dat The Phantom het in het vernieuwde Circustheater tweeënhalf tot drie jaar zal kunnen volhouden.

“De internationale uitstraling, daar gaat het om,” zegt hij. “Je merkt dat er bij het publiek een grote en nog groeiende belangstelling is voor kwaliteit. Het was, op een ander vlak, al te merken aan het succes van de VPRO-actie tegen de verloedering - daaraan kon je zien, wat je verder ook van hun eigen programma's vindt, dat er behoefte is aan een bepaald niveau. Voor uitgaan geldt hetzelfde, men verlangt van ons dat er iets heel bijzonders wordt geboden. Ik wil niet het woord kermisattractie gebruiken, want dan zou ik denigrerend praten over mijn eigen werk, maar noem het: een belevenis. Een musical op deze schaal is totaaltheater. Net als de Nederlandse Opera; nu spelen ze daar per produktie acht voorstellingen, maar als het er tachtig of honderd waren, zat de zaal óók vol. Uitgaan in stijl, dat is wat men op het ogenblik wil.”

Nu reist Cyrano nog met zeven trailers door het land. Op elke volgende standplaats kost de opbouw van het decor twee dagen. Straks kan de Amerikaanse versie, op Broadway, eindeloos blijven staan. Als alles volgens plan verloopt, zal de show er dan ook groter zijn dan hier - er komen, om te beginnen, acht extra spelers bij, zodat de totale cast uit dertig man zal bestaan. Voorts zullen de tenten op het slagveld, die hier uit het toneelplafond zakken, daar uit een geprepareerde vloer verrijzen. Groter, grootser. Tot het internationale concept ontstaat, dat vervolgens als package in landen over de gehele wereld kan worden gereconstrueerd. Inclusief strenge voorschriften voor rolbezetting, toneelbeeld, kostumering, logo, affiches, platen en programmaboekjes.

    • Henk van Gelder