Het weggegoochelde prinsje; De verbeelding van Walter van den Broeck

Walter van den Broeck: Het leven na beklag. Het beleg van Laken 4. Uitg. De Bezige Bij, 310 blz. Prijs ƒ 32,-

Precies in het midden van het nieuwe en laatste deel van Walter van den Broecks romancyclus staat een lange tirade over zijn voorgaande werk. De spreker, van wie we dan weten dat hij de tweelingbroer van koning Boudewijn is, noemt de laatste romans van Van den Broeck "rare proza-bouwsels'. Wie dat schrijft, ongeacht de verteller die hij gebruikt, wil tegengesproken worden, in de trant van: helemaal geen rare brouwsels, meneer, prachtig doorwrochte romans, heel erudiete boeken vol verwijzingen naar de wereldliteratuur en toch ook een beetje voor de gewone man met die mooie volkse stukjes er tussendoor. Dat wil iemand dan horen, en dat komt ook - alweer bij monde van die tweelingbroer. Hij kan eigenlijk alleen maar diep buigen, zegt hij, voor de manier waarop de schrijver op intertextuele wijze geborduurd heeft op stramienen van sterfelijke en onsterfelijke voorgangers en tijdgenoten, en hij wil uiting geven aan zijn grote bewondering voor de hecht geconstrueerde, meta-factionele raamvertelling, en zo nog heel wat meer.

Een dergelijke tirade heet in de wandeling zelfspot, en van alle vormen van humor is die wel het moeilijkst te hanteren. Van zelfspot naar koketterie is maar een heel klein stapje, of misschien zelfs dat niet, en zeker bij Van den Broeck is de afstand tussen die twee miniem.

Rare prozabrouwsels zijn de vier romans ongetwijfeld. Het begon in 1985 met Het beleg van Laken, of eigenlijk al in 1980 met de Brief aan Boudewijn, waarin Van den Broeck, helemaal in het voetspoor van Boon, een uitvoerige beschrijving gaf van het dorp waar hij was opgegroeid en de mensen die er woonden, en dat alles in de vorm van een brief aan de koning. In Het beleg van Laken wordt de schrijver dan op een wat Kafka-achtige manier naar het paleis gebracht om genezen te worden van zijn verkeerde kijk op het koningshuis en antwoord te geven op de vraag: waarom schrijft u?

Tegelijk is het boek een speurtocht naar de jeugd die met een verslag van allerlei liefdesavonturen werd voortgezet in Gek leven na het bal, verreweg de minste van de vier romans. Daarna kwam Het gevallen baken, dat in hoofdzaak een beeld gaf van de ouders van de schrijver en hun eeuwige ruzies waar de zoon verscheurd tussenin stond. Dat derde deel is het beste van de vier. Het is een aangrijpend portret van een man en een vrouw die elkaar niet kunnen verdragen en het zonder elkaar niet uithouden. Van den Broecks vreemde obsessie met het koningshuis bleef in dit deel op de achtergrond en dat was een weldaad. Met dit boek leek het bewijs geleverd dat die hele omlijsting met koninklijke poespas totaal overbodig was en dat Van den Broeck een boeiende roman kon schrijven als hij Boudewijn en de intertextualiteit en de zelfspot maar met rust liet.

Fabiola

In dit nieuwe deel komt de koning in dubbele mate terug, letterlijk. Een zachtzinnig jongetje dat met zijn lieve ouders in een idyllisch dorp woont, wordt ruw uit zijn omgeving weggerukt en krijgt een geheimzinnige, prinselijke opvoeding in Spanje. Hij blijkt de tweelingbroer van Boudewijn en is, meteen na zijn geboorte, weggegoocheld omdat de conservatieven bang waren voor twee troonopvolgers. De progressieven daarentegen zagen er wel wat in, omdat er dan twee koningen beschikbaar zouden zijn als België uit elkaar viel. De conservatieven wonnen en de jongen, die eerst Philippe heette en daarna Gauthier (ofte wel Walter), moest verdwijnen. De verwikkelingen zijn talloos, ook al omdat de jongen verliefd wordt op een meisje dat de tweelingzuster van koningin Fabiola zou kunnen zijn. Van den Broeck jongleert behendig met de mogelijkheden die het spiegelbeeldige koninklijk paar hem biedt en laat mooie staaltjes zien van wat de verbeelding met een kleine vervorming van de werkelijkheid kan doen.

Bovendien brengt hij de situatie handig te pas om zijn opvatting van België als natie uiteen te zetten.

Een groot deel van het boek laat zich lezen als een inventieve avonturenroman met dubbelgangers en ondergeschoven kinderen en onverwachte wendingen. Maar later gaat de koketterie het winnen van de speelsheid en dan krijgt de inventiviteit iets moeizaams. Het personage Van den Broeck krijgt weer een flinke rol te spelen, evenals zijn anagrammatische ghostwriter Verwaendonck. Anagrammen zitten Van den Broeck hoog. De titel van elk deel van de cyclus is een anagram van "Het beleg van Laken', en zelfs de titels van de twee afdelingen van deze roman zijn daar ook weer anagrammen van: "Belg havent Laken', en "'t leek 'n eng bal, hè va!' De bedoeling van het gesol van die zestien letters zal wel zijn om een eenheid te demonstreren, maar het resultaat kan alleen maar flauw en gezocht genoemd worden. Ook aan omkeringen heeft Van den Broeck zijn hart verpand: d'Ubésor en Rosebud, Udanax en Xanadu; Loracq zal wel Carroll zijn en Moortgat dagdroom. Of die verwijzingen naar Orson Welles, Coleridge en Lewis Carroll, naar Dante, Boccaccio, Kafka en Walter van den Broeck de roman meer diepgang geven, is zeer onwaarschijnlijk. Ook met het antwoord op de grote vraag: waarom schrijft u? is niet veel aan te vangen. Er wordt gesproken over een hereniging van ik en beeld, van een Wij-land en een Thuis, maar niemand zal daar veel wijzer van worden. Evenmin als van de cryptische in- en uitleidingen. Dit deel besluit met een cursief tekstje dat waarschijnlijk een scène bij de vertellende schrijver thuis uitbeeldt, gevolgd door een vetgedrukt stukje waar in hoogdravende taal een aantal schipbreukelingen wordt opgewekt om van de droom naar de daad te varen. Het is of een componist zijn slotakkoord niet kan vinden. Er zit in dit boek een waardevolle roman opgesloten die eruit wil, en kan, als hij rigoureus ontdaan wordt van alle franje en koketterie.

    • P.M. Reinders