Hervormden en gereformeerden samen in nieuwe kerk; Alle oude geschriften gaan mee; "Waarom noemen ze het niet de Verenigde Protestantse kerk?'

Sinds het begin van de zeventiende eeuw heeft de calvinistische kerk van Nederland drie grote kerkscheuringen meegemaakt: in 1619, in 1834 en in 1886. Maar nu staat er een grote fusie op stapel. De Hervormde kerk (1,8 miljoen zielen), de Gereformeerde kerken (784.000) en de Lutherse kerk (23.800), die al een paar jaar "samen op weg' zijn, willen uiterlijk eind 1995 in één kerk opgaan. De "Verenigde Reformatorische Kerk in Nederland'.

BLOKZIJL/AMSTERDAM, 23 OKT. Zijn stem klinkt verontwaardigd. “Dat hadden ze nooit mogen doen”, zegt de Amsterdamse hervormde predikant dr. A.A. Spijkerboer. Hij heeft het over de protestantse kerkscheuring van 1886. “Het was een eigenmachtige poging van Abraham Kuyper om een zuivere kerk te vormen, om de belijdende pit uit de bast van de volkskerk te pellen. Gelukkig is mijn familie niet meegegaan. Mijn grootvader vond het vroom geknoei en huichelarij. Wij zijn de Hervormde kerk altijd trouw gebleven.”

Bij de kerkscheuring van 1886 verliet de staatsman/theoloog dr. Abraham Kuyper (1837-1920), door Jan Romein de "klokkenist van de kleine luyden' genoemd, samen met 181.000 gelovigen de Nederlandse Hervormde Kerk. Zes jaar later stichtten zij met de "Christelijk Gereformeerden', die zich al in 1834 van de Hervormde kerk hadden losgemaakt, de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Wanneer Pieter Holtrop in Blokzijl, hoogleraar aan de Theologische universiteit van de Gereformeerde kerken in Kampen, over Kuyper en de kerkscheuring praat, wordt hij heel enthousiast. “Mijn vader, dominee in Scheveningen, was een echte Kuyperiaan. Ik heb lang met die figuur geworsteld, maar ben uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat hij een van de heel groten in de Nederlandse geschiedenis is. Een echte Erflater, belangrijker nog dan Thorbecke. Als gevolg van de Verlichting en de moderne tijd was de Hervormde kerk in het begin van de vorige eeuw helemaal van slag. Zij had weinig eigens meer en deed precies wat de overheid van haar verwachtte. Dr. Kuyper stelde daar een christelijke tegencultuur tegenover.”

Sinds 1986 is Spijkerboer predikant van een "Samen op Weg'-gemeente, een samenwerking van gereformeerden en hervormden. “We hebben een gemeenschappelijke, erg jonge en heel actieve kerkeraad waar nooit ruzie is”. Spijkerboer en Holtrop zijn beide enthousiast over het vooruitzicht van de kerkenfusie waartoe vorige maand besloten is. De nieuwe kerk, die uiterlijk 31 december 1995 een feit moet zijn, zal circa 2,6 miljoen zielen tellen: 69 procent hervormden, 30 procent gereformeerden en 1 procent lutheranen.

Maar Holtrop is bang dat de nieuwe kerk een traditioneel instituut zal worden. Alle geschriften uit de tijd van de Hervorming - de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561, de Heidelbergse Catechismus uit 1563 en de Leerregels van de Synode in Dordrecht - staan nog recht overeind. Ze zijn immers, zoals dat in het statuut van oktober 1992 voor de kerkenfusie heet, “door de Reformatie aan de kerk geschonken”.

Ook Spijkerboer heeft bedenkingen. Volgens hem was de Heidelbergse Catechismus, waardoor “analfabeten de hoofdzaken van het Bijbelse geloof uit het hoofd konden leren”, vroeger belangrijk, “maar is er tegenwoordig in de Hervormde kerk vrijwel niemand meer die de Heidelberger nog kent”. Alleen in de "Confessionele Vereniging' en de "Gereformeerde Bond' (samen de rechtervleugel van de Hervormde kerk), met zo'n 540.000 leden, kennen de gelovigen de catechismus nog. “Maar daar loopt men”, aldus Spijkerboer, “dan ook het risico in de calvinistische tradities te verstikken”.

Die tradities stammen uit de Tachtigjarige Oorlog, toen de leer van Johannes Calvijn (1509-1564) veel aanhang in de Nederlanden kreeg. De leer was uiterst strijdbaar, “zij hield een echte verzetsideologie in”, zegt Holtrop. Het is de reden waarom de betekenis van Luther, de eerste kerkhervormer, in de Nederlanden betrekkelijk marginaal bleef.

In 1568 werd de Gereformeerde Kerk (in 1816 omgedoopt tot Nederlandse Hervormde Kerk) gesticht, maar lang lieten binnenkerkelijke conflicten niet op zich wachten. “Je had er”, vertelt Holtrop, “enerzijds "preciezen' die voorstanders waren van een theocratisch staatsbestel en anderzijds volgelingen van Erasmus en Coornhert die godsdienstige vrijheid in hun vaandel voerden. Tussen beide groepen bestond een sociaal klasseverschil. De Erasmianen wisten zich gesteund door de stedelijke aristocratie, die tegen een al te grote invloed van de kerk op de staat was”.

In 1618 en 1619, tijdens de kerksynode in Dordrecht, kwam het tot een eerste scheuring. De remonstranten, die in de traditie van Erasmus stonden, werden als "lasteraars van de gezonde leer' uit de kerk gezet. Hoe lang geleden ook, de kwestie is nog steeds actueel: de kerken die in 1995 willen samengaan, blijven vasthouden aan de Dordtse leerregels en beschouwen de remonstranten nog steeds als ketters.

De Amsterdamse remonstrantse predikant Johan Blaauw had gehoopt dat het herenigingsproces van hervormden, gereformeerden en lutheranen, waarbij de remonstranten als waarnemer betrokken zijn, tot meer tolerantie en meer pluriformiteit binnen de nieuwe kerk zou leiden. Maar uit de onlangs aangenomen kerkorde blijkt volgens hem het tegendeel.

De Remonstrantse Broederschap, sinds het begin van de zeventiende eeuw een kerkgenootschap zonder dogma's en met veel vrijheid en verdraagzaamheid, telt ongeveer tienduizend leden, verdeeld over 44 kringen en gemeenten. Sommigen daarvan noemen zich nog steeds "remonstrants-gereformeerd', om aan te geven dat zij zich in de calvinistische traditie voelen staan. Wat Blaauw vooral ergert, is dat de kerkorde binnenskamers door de toppen van de drie kerken is voorbereid en “arrogant en belerend” van opzet is.

Volgens hem roept de nieuwe kerk wel op tot vernieuwing van het culturele, politieke en maatschappelijke leven in Nederland, maar rept zij met geen woord over de kerkelijke vernieuwing, die volgens Blaauw even noodzakelijk is. Star en ouderwets vindt hij bovendien de zinsnede dat de "de kerk weert wat haar belijden weerspreekt'. Zo'n artikel had er naar zijn mening niet in gemoeten, evenmin als de Leerregels van 1619 tegen de remonstranten. “Wil men zo'n museumstuk tot de traditie blijven rekenen, dan had de Remonstrantie van 1610 ook bij het erfgoed moeten worden opgenomen”.

Hoe goed passen hervormden en gereformeerden een eeuw na hun uiteengaan nu bij elkaar, en hoeveel realiteitsgehalte heeft hun fusiebesluit? Spijkerboer noemt gereformeerden “rationeler en activistischer” dan de mensen in zijn kerk, die volgens hem vooral uitmunten in geloofsgevoeligheid en traditionaliteit. Bovendien zijn beide kerken ander georganiseerd, ook al zijn ze allebei “echte middenstandskerken” doordat ze de aansluiting bij de arbeidersbweging hebben gemist. “Door de positie van de synode en van allerlei adviesraden is bij ons de top nogal zwaar. Plaatselijk heeft die top echter weinig invloed, want Leidschendam (het hervormde hoofdkwartier, red.) is ver weg.”

Intussen zit de Hervormde kerk met een groot tekort aan predikanten. Twintig procent van de gemeenten heeft geen eigen of hooguit een parttime-dominee. Afgezien van dat vraagstuk, zal het volgens Spijkerboer in de toekomst zo moeten zijn dat de gemeenschappelijke kerk minder politieke uitspraken doet dan in de jaren tachtig. “Wij moeten ons nu afvragen hoe we de boodschap in deze tijd nog kunnen formuleren. We moeten het syncretisme, de vraag of het christendom beter is dan andere godsdiensten, te lijf gaan door het unieke van Christus ter sprake te brengen. Ook de de overmatige aandacht voor persoonlijke gevoelens moet worden aangepakt.”

De gereformeerde Holtrop constateert dat beide kerken hulpeloos staan tegenover de moderne cultuur en daardoor in een zelfgekozen getto terecht zijn gekomen. Van de hervormden is volgens hem nog niet de helft echt bij de kerk betrokken, terwijl dat bij de gereformeerden voor driekwart van de leden het geval is. Bovendien hebben de hervormden een “echte domineescultuur”. “Bij hen staan predikanten aan het hoofd van de plaatselijke gemeente, terwijl ze bij ons gewone werknemers zijn.”

Hervormden kennen een grote verscheidenheid binnen hun kerk (vrijzinnige hervormden: 3,2 procent, midden-orthodoxie: 63,2 procent, confessionelen: 9,4 procent en gereformeerde bonders: 24,9 procent), waardoor volgens Holtrop “interne verdeeldheid eigenlijk een hoofdkenmerk van die kerk is geworden”. Binnen de Gereformeerde kerken bestaat naar zijn mening sinds de jaren zestig interne verdraagzaamheid. “Ook wij kennen een uiterst rechtse en een links-eigenzinnige vleugel, waartoe mensen als Kuitert, Wiersinga en ikzelf behoren. Maar in tegenstelling tot wat er is gebeurd bij de Hervormde kerk, kunnen die geledingen nog altijd goed met praten.”

Holtrop is trots op de gereformeerden, op hun voormannen als Bavinck, Grosheide, Sikkel en Van Andel als ook op een aantal huidige theologen uit beide kerken, vooral vrouwen. Van trots is bij Spijkerboer weinig te merken. “Het mooiste uit onze kerkgeschiedenis is natuurlijk de Statenvertaling, maar verder is het een soort gedoofd vuur waar heel af en toe de vlammen uitslaan. Bijvoorbeeld ten tijde van het Reveil in de vorige eeuw en bij het optreden van de kerk in de jaren 1940-1945. Andere spannende momenten zie ik niet”.

Over de naam van de nieuwe kerk zijn Spijkerboer en Holtrop het gloeiend eens. Die deugt niet. “Dat "reformatorische' doet me te veel denken aan de partij van Meindert Leerling”, zegt Spijkerboer. “Daar kun je geen kant mee uit. Waarom noemen ze het niet gewoon de "Verenigde Protestantse kerk'? Dan kunnen ook remonstranten, doopsgezinden en de Evangelische Broedergemeenten onder dat dak terecht”. Ook Holtrop vindt de naam “verschrikkelijk”. “Die heeft precies de verkeerde klank. Veel te klassiek. Het riekt naar een traditioneel en log kerkelijk lichaam. Moderner kon het blijkbaar niet. Je zou die kerk toch ook de "Hervormde kerk in Nederland' kunnen noemen?”.