"Geen een kan er hier muzikaal schaatsen'

HEERENVEEN, 23 OKT. Ze had als trainster willen stoppen na Katarina Witt, haar meest succesvolle leerling. Had ze niet dertig jaar van haar leven aan het kunstschaatsen gegeven? Van 's ochtends zeven tot 's avonds acht op de ijsbaan? Had ze haar land niet aan 57 medailles geholpen bij EK's, WK's en Spelen? Mocht ze dan eindelijk eens haar eigen leven leiden? Haar laatste kans.

Nee, dus. Eerst viel de Muur, daarna verenigde zich Duitsland. En Jutta Müller, de meest befaamde trainster uit het voormalige Oostduitsland, verloor haar staatsbetrekking. Ze moest zich opeens “een markteconomisch denken” eigen maken. Wat “een proces van heropvoeding” vergde. Want “zichzelf verkopen” dat had ze in de DDR nooit geleerd.

Ze weet nog steeds niet hoe dat moet. “Ik kan het geld niet op de voorgrond stellen. Ik ben altijd uitgegaan van wat ik te bieden had, van wat ik kon bereiken. Maar ik heb geen keuze. Ik kan niet blijven doorgaan met me te laten onderbetalen. Er is nog zoveel wat ik wil doen. Daar heb ik geld voor nodig. Ik zal me moeten aanpassen aan de westerse regels.” Dus begeleidt ze drie dagen lang de Nederlandse kernploeg, aangevuld met drie Jong Oranje-leden. Alsof Johan Cruijff IJsselmeervogels traint.

Maar nee, voor het geld heeft ze deze klus niet aangenomen, zegt ze. Ze krijgt wel vaker invitaties van nationale kunstschaatsbonden. De meeste wijst ze af omdat ze nog altijd verplichtingen heeft aan het voormalige Oost-Duitsland, vindt ze. Tenslotte heeft ze zich na Katarina Witt toch weer over Evelyn Grossman ontfermd, die ze in 1990 naar het Europees kampioenschap begeleidde. En ook al sukkelt Grossman sindsdien met blessures, wist ze zich daardoor niet eens voor Albertville te plaatsen waardoor Müller de Olympische Spelen voor het eerst sinds '64 miste, ze kan haar pupil toch niet zomaar in de steek laten? Ook al krijgt ze van de Duitse bond niet meer dan “wat zakgeld” voor de training. Daarbij begeleidt ze sinds anderhalf jaar toch ook nog jonge trainers in Dresden. Hoe kan ze zich onttrekken aan haar plichtsgevoel? “Discipline, vooral zelfdiscipline, dat was mijn leven.”

Dat ze toch naar het Thialfstadion in Heerenveen is getogen, komt eigenlijk alleen omdat mevrouw Kossmayer haar gevraagd heeft. Mevrouw Kossmayer die als Sjoukje Dijkstra vijf keer Europees, drie keer wereld- en één keer Olympisch kampioen werd. Mevrouw Kossmayer die tegenwoordig adviseuse is van de Landelijke Technische Commissie Kunstrijden en wier blonde dochter Katja lid is van de kernploeg. Alsof ze een ereschuld aflost zegt Müller: “Voor mij als jonge trainster is ze altijd een voorbeeld geweest.”

Volgens Joop Posno, bestuurslid van de begeleidingscommissie kernploegen, kan alleen een buitenlandse toptrainer zoals Jutta Müller ervoor zorgen dat Nederland in het kunstschaatsen internationaal weer aansluiting vindt. Na de successen van Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel is het Nederlandse kunstrijden in een wak terecht gekomen. Midden jaren tachtig werd wel met een poging tot comeback begonnen. En er is zeker vooruitgang geboekt. “Maar de ontwikkelingen in het buitenland gaan nog altijd sneller.”

“De harde waarheid”, zegt Posno. “Nationale trainers hebben eenvoudig het niveau niet om Nederland opnieuw naar de top te brengen. We hebben een goede buitenlander nodig die één keer in de drie, vier weken komt kijken en als coördinator fungeert. Alleen kunnen we die pas betalen als de schaatsbond onze begroting drastisch uitbreidt. Anders kunnen we beter stoppen met de wedstrijdsport.”

Jutta Müller draait er niet omheen als haar naar het niveau van de Nederlandse selectie gevraagd wordt. “Ze beginnen pas”. Of je met de huidige kernploegleden ooit de subtop kan bereiken, betwijfelt ze hardop. “Je moet jonger beginnen.”

Ontluisterend is haar commentaar als de schaatsers één voor één hun kür hebben getoond. “Er is er geen één bij die muzikaal kan schaatsen”, vertelt ze aan de Nederlandse trainsters. “Er wordt alleen maar gereden en gesprongen. Steeds op en neer, steeds op en neer. Er is geen voetenwerk, geen expressie, geen dynamiek.”

Ook tegenover de rijders is ze steeds verpletterend direct. “Je schaatst met een gezicht alsof je dood bent.” En: “Je handen zijn heel slecht ontwikkeld. Elke beweging houdt op bij je pols.” En: “Dat is niks. Dat is weer niks. Schaatsen doe je met je ziel.”

Die rechtstreekse aanpak komt hard aan bij de kernploeg. Ook al vertelt Katja Kossmayer dat ze heel veel opsteekt van de aanwijzingen van Jutta Müller. “Ze is eerlijk. Ze zegt waar het op staat. Je weet waaraan je toe bent.” Maar tijdens de training plengt ze hete tranen. Een ander lid van de kernploeg vormt met haar lippen nijdig: zeikwijf. En Marion Krijgsman, nationaal kampioene, ziet eruit of ze slaag heeft gehad.

“Ik heb altijd tegen iedereen gezegd wat ik denk. Onomwonden.” “Een kwestie van karakter”, meent Müller. “Ik heb er vaak genoeg problemen mee gehad. Maar ik ben te oud om nog te veranderen. Daarbij hoort het ook bij tot mijn succesformule. Alleen met strelen en ouders naar de mond praten kom je niet tot prestaties.”

Ze vindt dat veel kinderen in het Westen zijn “verpäppelt und verweichlicht”, vertroeteld en verweekt. “Als het een beetje pijn doet, maken ze meteen theater.” Niet dat zij haar pupillen als een kampbeul gedrild heeft, zoals in het westen wel beweerd wordt. “Grote onzin.” Maar ze stelde wel haar eisen. “Alleen zo haal je het maximale uit een mens.”

“Sommige schaatsers zijn uit zichzelf niet zo bijzonder vlijtig. Neem Katahrina Witt bijvoorbeeld. Die moet je als trainer achter hun vodden zitten. Dat verlangen ze ook.” Witt heeft in de Verenigde Staten gekozen voor een profcarrière als schaatster, commentatrice en topmodel. Maar nog altijd komt ze voor een belangrijke schaatsshow naar Chemnitz, het vroegere Karl-Marx-Stadt. Naar Jutta Müller. “Omdat ze weet dat ze voor mij dingen doet die ze alleen niet meer opbrengt. Drie keer een bepaalde sprong herhalen. In haar eentje doet ze er maar één.”

Müller is nog altijd trots op het sportsysteem in het voormalige Oost-Duitsland. En het stemt haar bitter dat ze sinds de Duitse eenwording met terugwerkende kracht wordt beschuldigd van collaboratie, kindermishandeling en terreurpraktijken. Alsof haar land posthuum moet boeten voor zijn sportieve prestaties. Na een spontane uitroep die ze niet genoteerd wil hebben, excuseert ze zich cynisch voor haar “volkse”, primaire reactie. “In het oosten van Duitsland zijn we nogal volks.”

Nog altijd doet het haar “pijn” om te zien hoe het succesvolle Oostduitse sportsysteem gesloopt is. De meeste van haar collega's zijn zonder werk of hebben zich om laten scholen. De topsportschool in Chemnitz is gesloten, terwijl soortgelijke scholen in München en Keulen opgebouwd worden. Haar schaatsclub heeft geen cent meer en de ijsbaan is alleen na vijf uur open. Het Duitse kunstschaatsen, vreest Müller, zakt naar een Nederlands niveau.

Als ze in Nederland als coördinator zou fungeren, zou ze “weer helemaal van voren af aan moeten beginnen”, zegt ze met weerzin. Ze wil zich niet meer aan lange termijn-projecten binden. Alleen nog maar af en toe jonge trainers begeleiden. Ze wil eindelijk ook wel eens van het leven buiten het schaatsen genieten. Op vakantie gaan in het westen, wat haar ondanks haar “zogenaamde privileges” nooit vergund was. Skiën, wat haar door de Oostduitse sportbond meer dan twintig jaar was verboden. Met de blik van een jong meisje, gretig, vastbesloten: “Ik wil nog zeven keer skiën voordat ik zeventig word.”

Beschadigd, maar ongebroken. Zoals ze daar staat op de ijshockeybaan van Thialf - oranje trainingspak met rose jas erover, schoolse bril en haren in een staartje - heeft ze meer vitaliteit en elegantie dan de hele Nederlandse kernploeg bij elkaar.