Een grabbelton vol snaaksheden

Kick van der Veer (samenst.): U wordt zo gemolken. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 270 blz. Prijs fl.24,90

Ik moet de enige zijn geweest die vorig jaar nogal zuinig reageerde op de bundel Ik ben mij er eentje, waarin Kick van der Veer conferences en grappen bijeen had gesprokkeld uit de laatste decennia Nederlands cabaret. Mijn respect voor de mierenvlijt van de samensteller kon niet opwegen tegen mijn teleurstelling over het resultaat. De teksten konden het naar mijn smaak niet bolwerken tegen de afwezigheid van intonatie, timing en mimiek. Zelfs conferences waaraan ik sinds het zaaloptreden van de desbetreffende cabaretier aangename herinneringen bewaarde, vielen op papier plat _ hoe hard ik ook bij het lezen probeerde het bijpassende stemgeluid erbij te bedenken, ik kon er niet meer om lachen.

Maar het boekje werd een bestseller en uit andere kranten zijn op de achterkant van het nu _ onder de titel U wordt zo gemolken _ verschenen tweede deel juichende passages geciteerd. De eerste bundel was, heet het, "zeer gevarieerd en boeiend' en sterker nog: "een zalig boekje'. Het tweede deel verschijnt, kortom, op de golven van het succes van het eerste.

Overigens kondigde Van der Veer in het voorwoord van deel een al aan dat er een vervolg zou komen. In zijn eerste bundel was hij immers niet verder gekomen dan teksten over onderwerpen als seks, religie, eten en drinken; kwesties als oorlog en vrede, geboorte en dood, relaties en gezondheid zouden pas in deel twee aan de orde komen. Hij heeft ze weer net zo gerangschikt als vorig jaar _ dat wil zeggen: thematisch bij elkaar, maar verder zonder zichtbaar ordeningssysteem. Het gevolg is opnieuw een bundel die zich niet impliciet laat lezen als een documentaire over het naoorlogse cabaret, maar slechts bij stukjes en beetjes als een bloemlezing vol snaaksheden waarbij Freek de Jonge en Tineke Schouten net zo ongediscrimineerd naast elkaar staan als Ischa Meijer en Wim Sonneveld. Het maakte Van der Veer niets uit of de auteur zo beroemd was als Simon Carmiggelt of zo onberoemd als Rob Kamphues en Hans Riemens. Wat hij leuk vond, nam hij op. En de chronologie interesseerde hem evenmin.

Ik blijf bezwaren hebben tegen die grabbelton-formule van langere teksten en losse, uit hun oorspronkelijke omgeving geisoleerde kwinkslagen. In weerwil van de accuratesse, die Van der Veer tentoonspreidt in zijn inleiding en zijn bronvermeldingen, kleeft er aan deze presentatievorm iets van willekeur en van gebrek aan interesse voor de historische context en de artistieke samenhang. Hij houdt van zijn onderwerp, dat kan niet anders, en toch is het bijna liefdeloos om het op deze manier uit elkaar te trekken en aan elkaar te plakken. Waar in het theater de timing en dosering van alles overheersend belang zijn, raakt men hier amechtig van de compact opgediste overdaad.

Maar ik moet bekennen dat deze vervolgbundel me beter bevalt dan de eerste. Dat zou kunnen liggen aan de aard van de onderwerpen, die misschien iets minder aanleiding gaven tot de gretige lach en iets vaker tot scherp geformuleerde zinnen die ook op papier hun effect niet verliezen. De nazi-weduwe die Jacques Kloters in 1986 schreef voor Joke Bruijs, is nog bijna even poignant als toen. De langzaam dronken wordende vrouw die Annie Schmidt in 1972 schiep voor Conny Stuart, is in haar herhalingen en cirkelredeneringen vrijwel even komisch-ontredderd gebleven. Het ietwat Carmiggelt-achtige Partnerruil van Paul van Vliet uit 1973 heeft de kracht van een kort verhaal gekregen. En de geciteerde nummers van Jos Ghysen (Onder de wapens uit 1963) en Jules Deelder (Kiespijnbestrijding uit 1988) waren al een kort verhaal voordat de auteur ze ging voordragen.

“U wordt zo gemolken”, is de alerte reactie van een conferencier op het moment dat iemand in de zaal boe! roept. Dat is op papier niet leuk. Evenmin als de losse woordspelingen van Freek de Jonge (“er zijn er die met troost de kost verdienen _ de broodtroosters!”) of van Fons Jansen (“heidenen bekeren is een christelijk werk, maar christenen bekeren is een heidens werk”), die pas in de context van een complete conference tot hun recht komen. De manier waarop Van der Veer te werk ging, leidt bovendien tot zeer scheve verhoudingen: de meest fletse stukjes tekst in de bundel staan notabene op naam van Wim Kan, de beste naoorlogse conferencier van Nederland. Aan een werkwijze met zulke gevolgen klopt iets niet.

    • Henk van Gelder