Een explosieve Fries; De verlokkelijke verhalen van Anne Feddema

De Friese schilder Anne Feddema heeft lange tijd moeite gehad zijn lust tot fantaseren te beheersen. Pas de laatste jaren slaagt hij in zijn opzet: "de totale verwarring der zinnen'. Er is in Nederland niemand, die zo perfect een stickertje op een schilderij kan plakken als Feddema.

Anne Feddema, Museum 't Coopmanshûs, Franeker. T/m 14 nov, di t/m za 10-17u. en Galerie Van Hulsen, Nieuwestad 99, Leeuwarden. T/m 27 okt, di t/m za 12-17u.

Je verwacht dat niet in het kille, vlakke Friesland, een explosie van poëzie en barokke fantasie, die verlokkelijk en warm geschilderd is. Toch is dat wat Anne Feddema (Leeuwarden, 1961) laat zien in museum 't Coopmanshûs in Franeker. Met gloeiende kleuren, ijle, kwetsbare krijtstrepen, soms figuratief, soms voorstellingsloos, roept Feddema overtuigend poëtische en absurde werelden op. Daarin komt Christus het land van Oz binnen, kuiert W.C. Fields met zijn knobbelneus door het Friese landschap, vervloeien de duistere middeleeuwen van Grünewald en de mysterieuze onderwaterwereld van diepzeeduiker Jacques Cousteau in elkaar. Willem Elsschot, Mickey Mouse, Laurel en Hardy: ze hebben allemaal een plaats in Feddema's universum.

De huid van zijn schilderijen is zo fluwelig dat je ze zou willen aaien.

Een goed voorbeeld daarvan is het schilderij W.C. Fields in Fries landschap. Op een ijle, grijs-wit geschilderde achtergrond, zijn met krijt groene vlekken aangebracht - het Friese landschap. Daarvoor zien we opgebouwd uit roze en bruine krijtvlekken een mannetje met een felgeel hoedje. Een witte, lichtjes aangezette krijtcontour, maakt van de vlek een mannetje met een neus à la W.C. Fields, de Amerikaanse filmster. Wat zijn gezicht afmaakt is een oog in de vorm van een rond viltdopje, dat eigenlijk onder de stoelpoot hoort, tegen het krassen op de vloer.

Feddema gebruikt meer van die viltdopjes en kleine stickers als ritmische beeldelementen op zijn schilderijen en tekeningen. Soms, zoals bij W.C. Fields, laat hij ze zitten, maar op andere werken, zoals het diepe, donkere Portret van Grünewald-Cousteau, haalt hij ze weg nadat hij er een laag over heeft geschilderd, en geeft de opengespaarde ruimte een andere kleur. Er is in de Nederlandse schilderkunst niemand die zo perfect een stickertje op een schilderij kan plakken als Anne Feddema.

Een hoogtepunt wat dat betreft is Zeeuws meisje bij Domburg. Dit schilderij draait bij wijze van spreken helemaal om een klein rond wit stickertje, dat vrijwel in het centrum van het doek staat op een zwarte bloemvormige figuur, die de mantel van het Zeeuws meisje zou kunnen zijn. Het meisje lijkt op het strand voor een prachtig dieprode zee te staan. Langwerpige stickertjes vormen regendruppels in het schilderij Prachtig Noodweer II, waarin tegen een rood gloeiende achtergrond in een rechthoek een amorfe zwarte donderwolk hangt, die zich in een oranje bliksemschicht op de groenblauwe aarde ontlaadt.

Feddema's visie op de natuur overheerst op de zevenentwintig recente schilderijen in Franeker, terwijl zijn verrassende persoonlijke reacties op de cultuur meer aan bod komen op de tekeningen. Daar zien we poëtische portretten van door hem bewonderde kunstenaars als Goethe, Elsschot, Satie (met een "laatste epileerapparaat'), Majakovski en Ensor. De laatste wordt geëerd met een prachtige tekening getiteld Ensor me. Antwoord mij, lijkt Feddema in deze tekeningen te willen vragen aan het Ensor-achtige skelet met feesthoedje dat hij op een gele achtergrond getekend heeft, en dat een prachtige blauw gekleurde rand heeft.

Wie Feddema vraagt waar hij op uit is, krijgt als antwoord: “De totale verwarring der zinnen.”

Maar als je zijn werk goed bekijkt, de krankzinnige associatieve titels leest ("Enigszins geo koeiebrand', "Christus en de feestneuspoliepen') of hem hoort voordragen uit eigen poëzie, begrijp je dat er meer aan de hand is.

Anne Feddema wil verhalen vertellen op zo'n manier dat je als luisteraar aan zijn lippen hangt. Hij wil werelden scheppen, waarin je van de ene verbazing in de andere valt, waarin de geest buitelt, waarin je moet lachen en huilen, waarin de poëzie regeert.

Kapperszoon

Die lust tot fantaseren herleidt hij zelf tot zijn jeugd. Hij is zoon van een kapper, en bracht vele uren in de kapperszaak van zijn vader door, waar klanten zich uitputten in het vertellen van sterke verhalen. Hij luisterde goed en deed al snel zelf ook mee. De juf op de lagere school noteerde in zijn rapport: "Anne praat wel eens te veel, maar zijn woordkeus doet vaak wel volwassen aan.' Zijn behoefte aan onwaarschijnlijke verhalen werd op school vervuld door de dominee, die het ene indrukwekkende verhaal (Nebukadnezar at gras als de runderen) na het andere spannende verhaal (Daniel in de leeuwenkuil) vertelde. Bovendien gaf de dominee de ongelovige jeugd ter stichting prachtige stempels van heiligen in hun schriften. Voor een - overigens niet gelovig - jongetje dat in het overwegend protestantse Leeuwarden snakte naar mirakels, was dat koren op de molen. Ook ging hij veel op bezoek bij zijn tante Martha, die vaak ziek was en in bed lag. “Wij mochten wel in haar kamer binnenkomen als jongetjes, maar ze eiste dat wij onze speelgoedwapens aflegden. In haar kamer moest vrede heersen. Het was er een beetje donker, de gordijnen dicht, een zware Boldootlucht, en allemaal katholieke beeldjes en afbeeldingen. Dat fascineerde me. Dat was zo anders dan wat ik gewend was te zien,” aldus Feddema, in zijn atelier-annex-huisje in Leeuwarden.

Als hij wat ouder is, krijgt hij van zijn vader een schilderskist. En dat is het begin van zijn schilderscarrière. Hij leert zichzelf schilderen. Totdat hij eind jaren tachtig als autodidact besluit naar de kunstenaarsopleiding Ateliers '63 in Haarlem te gaan. Hij wordt aangenomen en studeert onder anderen met Rob Birza.

Aanvankelijk barsten zijn schilderijen uit hun voegen van alles wat hij wil vertellen: het zijn vitale schilderijen vol rare wezens, heiligen, amoebe-achtige monsters, slierten, lijnen, vlakken, stippen enzovoort. Enkele van die overdonderende manifestaties van een kolkende fantasie zijn nu te zien bij galerie Van Hulsen in Leeuwarden (onder andere zijn prachtige schilderij Een monument voor Laurel en Hardy).

“Anne Feddema wordt geteisterd door een enorme verbeeldingskracht,” zegt de conservator van het Coopmanshûs, Germa van Heerbeek die de tentoonstelling over hem samenstelde. “Hij heeft een breed perspectief. Dat zie je niet vaak. Veel kunstenaars beperken zich. Aanvankelijk leek hij nog wat moeite te hebben met het kanaliseren van alles wat hij wil vertellen. Maar nu heeft hij een vorm gevonden, die ruimte biedt voor gevoelens, die sferen en werelden oproept.”

Gaandeweg werden zijn composities steeds beheerster, zijn kleur- en vormgebruik steeds uitgekiender, tot het perfecte evenwicht tussen vrijheid en beheersing dat de recente werken die in Franeker te zien zijn hebben.

“Het formele aspect, het pure schilderen is sinds Ateliers 63 steeds belangrijker geworden,” vertelt Feddema. Sinds kort gebruikt hij om betere kleuren te krijgen geen olieverf of acryl meer, maar bindt zijn kleurstoffen met zuurvrij behangerslijm of eierdooiers (tempera). Daarmee schildert hij op ongebleekt katoen. Door die combinatie ontstaat de kwetsbare, fluwelige huid van zijn schilderijen.

Wat de beheersing van de schilderkunst betreft is Feddema vergelijkbaar met zijn Ateliers 63-studiegenoot Rob Birza. Maar ik ken geen andere jonge Nederlandse schilder die inhoudelijk zo barok en veelomvattend is.