De tover is weg; Polemiek over het Nederlandse toneel

Kester Freriks en Gerardjan Rijnders: Tranen op bevel. Een polemiek over theater. Uitgeverij L.J. Veen, 103 blz. Prijs: fl.24,90.

Ze houden allebei van toneel en soms ook nog van hetzelfde toneelstuk. Zo zou je de verstandhouding tussen toneelcriticus Kester Freriks en regisseur Gerardjan Rijnders kunnen samenvatten. Voorzover die althans blijkt uit de brieven die ze het afgelopen theaterseizoen in het Cultureel Supplement wisselden. Deze achttien brieven zijn nu gebundeld in Tranen op bevel, met als ondertitel ”Een polemiek over theater'. Ten overvloede wordt achterop het boek meegedeeld dat de penvrienden de polemiek ”niet schuwen'. Toch vliegen de stukken er niet echt af. Soms zitten Freriks en Rijnders elkaar eventjes in de haren en stellen ze over en weer kritische vragen. ”Wat is jouw stellingname?' informeert Freriks als hij weer eens wil weten wat Rijnders nu eigenlijk voorstaat. Op zijn beurt vraagt Rijnders, na te hebben uitgeweid over de manier waarop acht enthousiaste jonge regisseurs zich in Frascati presenteerden, nogal pinnig: ”Maar waar was jij?' Ieder op hun manier zijn de briefschrijvers wel strijdlustig, maar van een rechtstreeks duel kun je hier nauwelijks spreken. Daarvoor schrijven ze teveel langs elkaar heen. Daarvoor verschilt hun benadering van het toneel ook teveel. Grofweg kun je zeggen dat het Freriks meer om inhoud en bedoeling te doen is en Rijnders meer om vorm en techniek. Het aardigst wordt dit verschil in opvatting uitgedrukt door laatstgenoemde: “Jij vindt een acteur goed als hij mooie zinnen kan formuleren over het leven en de kunst en de eenzaamheid, ik vind een acteur goed als hij goed toneel kan spelen.”

Net als de eertijds vermaarde Barbarossa, toneelcriticus van De Telegraaf uit het begin van deze eeuw, wil Freriks het theater met open vizier tegemoet treden. Zoals Barbarossa ”ongewenschte toneeltoestanden' probeerde te bestrijden, zo hekelt hij de ”wild geworden fantasie van het theater'. Hij zou willen dat er weer min of meer gewoon zou worden gespeeld en niet al te veel geexperimenteerd, en dat er afgeronde produkten getoond zouden worden in plaats van halffabrikaten die alleen maar ten doel hebben het publiek in verwarring te brengen. ”De tover is weg', verzucht hij, in antwoord op Rijnders' wat zure betoog over de tot ”mausoleum' verworden Amsterdamse Stadsschouwburg. En in een andere brief waarin hij mijmert over hoe het toneel vroeger moet zijn geweest, bepleit hij een eerlijk, ongeveinsd en verheven soort acteren.

“Ik wil weer iets in het theater terugvinden van de overgave aan het toneelspel die niets met kunstjes van doen heeft, wel met het creeren van personages uit de rijke bron van de acteur.”

Steeds weer dringt Freriks aan op programmatische uitspraken, op glasheldere criteria, op een stellingname in het hedendaagse theaterwezen. Niet voor niets noemt hij de titel van het boek waarin de Berlijnse schrijver Alfred Doblin zijn toneelervaringen bundelde: Een Kerl muss eine Meinung haben. Zo'n kerel wil Rijnders duidelijk niet zijn. Hij heeft natuurlijk wel meningen, maar hij geeft ze mondjesmaat prijs. Uit elke brief blijkt weer dat hij vooral zijn gang wil kunnen gaan, ongehinderd door overheidsinstanties, kunstnota's, subsidieregelingen, toneelcritici, publiek en schouwburgdirecties. Nergens laat hij zich verleiden tot een ondubbelzinnig artistiek credo. Tegenover de vaak bloemrijke en hartstochtelijke uitspraken van Freriks stelt hij nuchtere, ironische en afstandelijke overpeinzingen over het Nederlands toneel.

Toch ontmoeten ze elkaar af en toe, de hooggestemde criticus en de eigengereide regisseur. Allebei erkennen ze het bestaan van het zogeheten magische moment, het wonder dat een acteur soms met geringe middelen tot stand weet te brengen. Als hij bijvoorbeeld in de rol van Achilles vijftien seconden lang verzengend naar Penthesilea kijkt. ”Een vlijmscherpe blik die dwars door de speelvloer klieft', zegt Freriks. En daarmee is Rijnders het helemaal eens. ”Dat is toneel'.