De hoogste chef zegt het contract op; Roman over het vaderschap van Harry Mulisch

Harry Mulisch: De ontdekking van de hemel. Uitg. De Bezige Bij, 905 blz. Prijs ƒ 75,- (geb.)

In De ontdekking van de hemel, de nieuwe roman van Harry Mulisch, gebeurt niets dat niet strikt noodzakelijk is. Dat beweert althans een engel die in het boek ergens in de hemel verblijft, in wat hij noemt het "pneumatisch domein'. Het is deze engel die ons het grootste deel van het negenhonderd bladzijden lange verhaal vertelt. Wij horen hoe hij verslag uitbrengt aan een hoger geplaatste in rang, die de feiten op zijn (of haar) beurt weer aan God zal doorgeven. Maar tussen de bedrijven door leveren de beide engelen ook commentaar op het vertelde. Het is onmogelijk, zegt de verteller bijvoorbeeld, bepaalde elementen uit het enorme verhaal te vereenvoudigen. Alles wordt verteld "op een manier die in de gebeurtenissen zelf besloten ligt'. Als zijn gespreksgenoot daar geen geduld voor heeft, zo vindt hij, dan luistert hij maar niet.

Het is een houding die, zoals we de afgelopen weken in diverse media hebben kunnen merken, niet alleen karakteristiek is voor de vertellende engel in het boek, maar ook voor zijn auteur. Alles wat Mulisch tot nu toe heeft gedaan en geschreven, heeft, naar zijn idee, altijd een grote noodzaak gehad. Hij heeft, zo liet hij in recente interviews weten, sinds hij zeventien was eigenlijk nooit iets gedaan waar hij geen zin in had, en hij heeft later ook nooit ergens spijt van gehad. Bij de opening van de aan hem gewijde tentoonstelling in het Letterkundig Museum zei hij nog eens nadrukkelijk dat hij alleen maar spijt heeft van alle dingen die hij niet heeft gedaan.

Of een dergelijke houding in het dagelijks leven een verstandige is, betwijfel ik, en ik kan me ook wel wat gedragingen van Mulisch herinneren waar hij maar beter wel spijt van zou kunnen hebben. Dat neemt niet weg dat de engel gelijk heeft. Het fantastische, want zo mag je het wel noemen, van De ontdekking van de hemel is dat er inderdaad maar heel weinig in staat dat achteraf niet van een grote noodzaak getuigt. Bijna alle zijwegen die de auteur inslaat, en dat zijn er nogal wat, en vrijwel alle hoofd- en bijpersonen die hij opvoert, alles wekt, als het boek uit is, de indruk dat het in het boek thuis hoort. Anders dan in sommige vorige boeken van Mulisch bevat De ontdekking van de hemel nauwelijks overbodige of banale passages. En doordat elke bladzijde ook nog van een grote eruditie en gedrevenheid getuigt is de roman een van die zeldzame boeken waarmee je een paar dagen lang weg kunt kruipen om na afloop te constateren dat de wereld er plotseling anders uitziet. Het klinkt waarschijnlijk als een cliché, maar De ontdekking van de wereld is Mulisch' meesterproef.

Chef

Voor de engel die in het boek zijn spannende verhaal vertelt, gaat het overigens om iets anders. Wat hij bedoelt met zijn opmerking in het tweede intermezzo is dat de gebeurtenissen die hij beschrijft een heel ander soort noodzakelijkheid hebben. Misschien zijn ze niet altijd nodig voor het verhaal dat hij vertelt. Dat interesseert hem niet. Er komen, zoals zijn gespreksgenoot al aangeeft, misschien wel te veel personen in het boek voor. Hem gaat het erom dat alles een "finale' noodzakelijkheid heeft. Alles wat wordt beschreven is nodig om een bepaalde, door de hoogste Chef in de hemel gewenste afloop te bereiken. De engel voelt zich vermoedelijk als een agent die een proces verbaal opmaakt. Niet de spanning van het verhaal telt voor hem, maar de bruikbaarheid ervan voor de officier van justitie en de rechter.

De afloop die de hemel voor het boek in petto heeft is, zoals vorige week al in het interview in deze krant werd verklapt, dat een jongeman in het Lateraans Paleis in Rome de stenen tafelen weghaalt waarop duizenden jaren geleden de Tien Geboden zijn gebeiteld. God, "de hoogste Chef', heeft besloten het contract met de mensheid dat hierin tot uitdrukking komt, op te zeggen.

Het opvallende is dat deze afloop op zichzelf beslist niet noodzakelijk is. God heeft hem zeventig jaar tevoren in volle vrijheid bedacht. Hij had gezien hoe de Eerste Wereldoorlog was losgebarsten en hij voelde zich bedreigd door de oprukkende wetenschap. Wij zouden misschien geneigd zijn om een nieuwe verklaring af te geven waarin het contract wordt opgezegd, of we zouden nog eens een zondvloed sturen. Maar voor de oud-testamentische God van Mulisch is zoiets te eenvoudig. Hij kan alleen maar het materiële bewijs van het verdrag, de tien geboden, terughalen. Een bewijs waarvan, vreemd genoeg, niemand met zekerheid weet dat het nog bestaat.

Om de jongen die de opdracht krijgt van eigenschappen te voorzien die hem voor zijn taak geschikt maken, heeft de engel een bepaalde genetische constitutie voor hem voorbereid. Daarmee zijn, zo zegt hij, enkele generaties heen gegaan. Daarnaast heeft hij een omgeving moeten creëren waarin zijn erfelijke eigenschappen tot wasdom konden komen. Hij heeft hem laten opgroeien op een kasteeltje in Drenthe met veel interessante buren, die de jongen in de zeventien jaar dat hij er woont alles leren wat hij op zijn tocht naar Rome nodig heeft. Een architectuurhistoricus brengt hem het besef voor oude gebouwen bij en een slotenmaker leert hem de vele sloten te openen die de stenen tafelen tegen indringers beschermen.

Wat Mulisch op deze manier bedrijft, of laat bedrijven, is een omgekeerd determinisme. Het is niet zo dat de afloop van het verhaal voor hem vastligt op grond van wat er aan vooraf is gegaan. Nee, wat er aan de afloop voorafgaat, ligt vast op grond van het slot. De stukken over Cuba die in het boek voorkomen, zijn in zijn visie niet noodzakelijk omdat ze voortvloeien uit de tijdgeest van die jaren. Ze waren, gegeven de intermenselijke verhoudingen van de voorbestemde ouders, nodig omdat daar het kind verwekt moest worden dat de Tien Geboden terug kon halen.

Pleegvader

Overgeplaatst naar een wat hoger abstractieniveau zou je kunnen zeggen dat Mulisch hier laat zien dat alles wat iemand heeft gedaan altijd nodig was om hem te maken tot wat hij is. Niemand kan daarom ooit zeggen dat hij iets niet had moeten doen, want had hij het niet gedaan, dan was hij niet geweest die hij nu is.

Het is een benadering die in ieder geval in de roman een groot aantal geslaagde hoofdstukken oplevert. Vooral de portretten die Mulisch schetst van de twee mannen die de jongen als vader en pleegvader meekrijgt, zijn een genot om te lezen. De schrijver die in recente interviews heeft laten weten dat hij negen maanden geleden vader is geworden van zijn eerste zoon, speelt in deze stukken subliem met het vaderschap als verschijnsel. Je zou het boek dan ook, meer nog dan een roman over de verwording van de techniek, een roman over het vaderschap kunnen noemen.

Het hele boek door blijft onzeker wie van de twee mannen de biologische vader van de jongen is. Doordat de moeder van de jongen, een celliste, tijdens een verblijf op Cuba binnen enkele uren met beide mannen naar bed geweest, weet niemand wie van de twee het erfelijk materiaal heeft geleverd. De ene vader, die voor een belangrijk deel op Mulisch zelf is gebaseerd, is een man die voornamelijk vooruit kijkt, naar de sterren en het heelal. De andere vader, die voor een deel naar schaker-schrijver Jan Hein Donner is gemodelleeerd, kijkt voornamelijk naar achteren. Hij is een ontdekker van oude geschriften die plotseling in de politiek verzeilt. Welke eigenschappen overheersen in de jongen? De engel is er in zijn commentaar van overtuigd dat de sterrenkundige de vader is, maar wie gelooft er nu in engelen?

Een van de vele aardige kanten van De ontdekking van de hemel is dat verschillende gradaties van concreetheid elkaar steeds afwisselen. Aan het ene uiterste staan de gesprekken van de engelen, over mythologie, theologie en wijsbegeerte, en de redeneringen van de sterrenkundige. Maar daartegenover zijn er de concrete tot zeer concrete beschrijvingen van de vele personages en hun dialogen.

In de visie die Mulisch in zijn boek presenteert is het misgegaan met de wereld in de tijd van Francis Bacon. De mens heeft toen een pact met de duivel gesloten, dat er toe leidt dat hij nu bijna zelf de baas over de schepping is. Uit De ontdekking van de hemel blijkt dat dat geen ramp hoeft te zijn.

    • Reinjan Mulder