Chili en de Chicago boys

Voor veel Nederlanders heeft "Chili' nog steeds een slechte bijsmaak. De gruwelen van de militaire dictatuur onder Pinochet staan ons in het geheugen gegrift. Het land ligt zo'n achttien uur vliegen van ons bed. We eten Chileense appeltjes, kiwi's en druiven. En dat is zo ongeveer wat we van Chili weten.

Het lijkt aan veel Nederlanders voorbij te zijn gegaan dat intussen het politieke toneel in Chili ingrijpend is veranderd. En dat de economie bruist en bloeit, waarbij het land open staat naar de wereld.

Het is nog maar krap drie jaar geleden dat de huidige president Patricio Aylwin aantrad. De noodtoestand werd opgeheven, de geheime politie ontbonden, vrijheid van meningsuiting hersteld. Er is een voorlopig nog broze democratie tot stand gekomen, die men geleidelijk wil versterken. Met de nadruk op geleidelijk. Net als in Spanje na Franco ziet een grote meerderheid van de bevolking die democratie als een kostbaar goed. Extreem links noch extreem rechts hebben voldoende maatschappelijk draagvlak om een bedreiging te vormen. Toch moet de regering - een coalitie van christen-democraten en socialisten - heel behoedzaam manoeuvreren om die extremen niet te provoceren. Pinochet is nog altijd hoofd van de landmacht en hij heeft volgelingen op belangrijke posities zitten. Nog steeds heeft de regering Aylwin het niet aangedurfd de mensen die verantwoordelijk waren voor de schending van de mensenrechten voor de rechter te brengen.

Binnen deze politieke randvoorwaarden is op economisch en financieel gebied iets op gang gekomen dat je gerust een Latijns-Amerikaans "Wirtschaftswunder' mag noemen. In de ontwikkeling naar een nieuwe economische orde kunnen vijf fasen worden onderscheiden: drastische reorganisatie en recessie van '73 tot '76, een korte opleving van '77 tot '81, een depressie van '82 tot '84, exportgeleide groei met de buitenlandse schuld als randvoorwaarde van '84 tot '89 en voortgaande groei en oververhitting van '89 tot nu. We bekijken hier de ontwikkelingen tot 1984.

Toen Pinochet in september 1973 de macht overnam, kende Chili een inflatie van 647 procent, en overheidsuitgaven die nog niet voor de helft door ontvangsten werden gedekt. De economie was naar buiten afgesloten door een gemiddeld invoertarief van 105 procent, met uitschieters boven de 700 procent. Het nieuwe regime devalueerde de peso, schafte de prijscontroles af en begon de onder Allende genationaliseerde banken en ondernemingen te privatiseren. Invoertarieven werden sterk verlaagd.

Hevige discussies ontstonden over de vraag of de hervormingen geleidelijk moesten plaatshebben of dat een "shock treatment' beter zou zijn. De discussie is vergelijkbaar met die over de landen van Oost-Europa. De bekende vrije-markteconoom Milton Friedman pleitte in 1975 tijdens gastcolleges in Chili voor een "shock treatment'. De regering ging daarop in. Enkele bij Friedman afgestudeerde "Chicago boys' werden minister en bestuurders van de centrale bank. Ze gingen er hard tegenaan. De overheidsuitgaven werden sterk omlaag gebracht, belastingen verhoogd en hervormd en er werd een verkrappend geldbeleid gevoerd.

Het zo krachtig afremmen van een economie bracht inderdaad de inflatie omlaag (341 procent eind 1975, 174 procent eind 1976 en 64 procent eind 1977). Ook het overheidstekort liep in een jaar terug van 10 procent van het bruto binnenlands produkt naar 2,6 procent. Maar tegelijkertijd kromp de nationale produktie met 13 procent en steeg de werkloosheid naar 21 procent. Gelukkig gebeurde er meer dan alleen krachtig remmen. De invoertarieven gingen in zes jaar tijd van gemiddeld 105 procent naar 10 procent. Zo werd een van de meest dichtgespijkerde economieën veranderd in een van de meest openstaande landen in de wereld. De gevolgen zijn zichtbaar in de figuur die de openheid van de Chileense economie laat zien.

Vanzelfsprekend heeft het "op de tocht' zetten van de binnenlandse industrie tot pijnlijke aanpassingsprocessen geleid. De ondernemingen moesten volledig worden geherstructureerd om op de wereldmarkt te kunnen concurreren. Maar die veerkracht heeft men weten op te brengen en daarmee is de basis gelegd voor de krachtig expanderende economie van vandaag. De export steeg van 1,5 miljard dollar in 1975 tot 4,8 miljard in 1980. Ook het exportassortiment werd verbreed. In 1973 bestond de uitvoerwaarde nog voor 80 procent uit koper, in 1980 was dit teruggebracht tot 46 procent.

En toen ging het flink mis. Het jaar 1982 mag een rampjaar worden genoemd. De euforie over het succes steeg de jongens uit Chicago naar het hoofd. Ze besteedden te veel aandacht aan verbetering van hun eigen posities. En ze maakten een ernstige fout bij het wisselkoersbeleid. Tot dusver hadden ze in naam de peso gekoppeld aan de dollar. Maar door regelmatige mini-devaluaties (crawling peg, kruipende koppeling) werden de uitvoerprijzen steeds verlaagd waardoor de export werd bevorderd. Het negatieve effect van dit beleid was, dat de inflatie werd opgejaagd doordat de prijzen van ingevoerde goederen door die devaluaties steeds omhoog gingen. Op een bepaald moment stopten ze met de mini-devaluaties en klonken ze de peso echt vast aan de dollar. Daarmee bereikten ze dat de inflatie niet meer door de invoerprijzen werd versterkt. Maar de keerzijde was dat de peso te duur werd, waardoor de uitvoerprijzen niet meer concurrerend waren.

Exporteurs konden hun produkten niet kwijt en de invoer was juist goedkoop. Binnenlandse producenten die de snelle openstelling van de economie tussen '74 en '79 hadden overleefd konden hier niet tegenop. In 1981 bedroeg het handelstekort van Chili bijna 3 miljard dollar. Het kon worden gefinancierd met in het buitenland geleend kapitaal. Maar toen verklaarde Mexico in augustus 1982 dat het zijn verplichtingen niet meer kon nakomen. De schuldencrisis was een feit. De wereld werd voorzichtiger met geld uitlenen aan Zuidamerikaanse landen. Om het handelstekort te verkleinen, moest de peso met 15 procent devalueren. Het nationaal produkt kromp in 1982 met 14 procent. Twee van de grote conglomeraten (grupos), met de Banco de Chile en de Banco de Santiago als kern, gingen failliet. De overheid moest met meer dan een miljard dollar bijspringen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) moest helpen het betalingsbalansprobleem op te lossen. De Chicago-boys hadden het verbruid en werden naar huis gestuurd.

    • Rolf Schöndorff