Borstel je haar, circusdwerg; Robert Vacher over buitenstaanders

Robert Vacher: Vrije val. Uitg. Prometheus. 228 blz. Prijs ƒ 29,90.

Robert Vacher debuteerde in 1988 op 48-jarige leeftijd met Grensgebieden, een ongebruikelijk soort streekroman, die zich afspeelde in Brabant. In de zes verhalen van de nu verschenen bundel Vrije val wipt Vacher net óver de grens, naar België. Maar de koele en afstandelijke sfeer, de droge, kortaffe stijl en het sobere en directe taalgebruik doen eerder Nederlands aan dan Vlaams, voorzover je over zoiets kunt generaliseren. Zijn belangstelling voor de zelfkant, die hij in Grensgebieden al enigszins uitleefde, is duidelijk gegroeid. Vacher laat in alle verhalen mannelijke ik-figuren aan het woord, die omgaan met types van twijfelachtig allooi: zwervers, alcoholistische krakers, snuivers, spuiters, dealers, kleptomanen, voormalige SS-ers, zweverige natuurvrienden en onbetrouwbare priesters. Meestal doen deze ”ikken' in de vorm van een monoloog verslag van hun ervaringen met zulke randfiguren. Zelf kunnen zij trouwens ook rustig tot dit slag gerekend worden, of ze zich nu alleen maar aangetrokken voelen tot de zelfkant of deelnemen aan het criminele circuit. Sympathiek zijn ze in elk geval niet, de hoofdpersonen van Vacher. Dat heeft niet zozeer met hun misdadige of perverse inslag te maken, als wel met hun maar gedeeltelijke aanwezigheid, om zo te zeggen. Zij mogen zich van hun geestelijke vader op de vlakte houden en blijven daardoor zelf op nogal hinderlijke wijze buiten schot. Buitenstaanders zijn het, die leven in de wetenschap dat ze ”anders' zijn, ”vreemden op deze wereld'. Het motto voor zijn bundel ontleende Vacher aan Rimbaud: ”Je est un autre'. Niet alleen, vermoed ik, om aan te geven dat zijn verhaalpersonages wat zonderling zijn, maar ook om alvast de eventuele verdenking weg te nemen dat hij het over zichzelf zou hebben.

Wat de ”ik' uit het titelverhaal ”Vrije val' op zijn kerfstok heeft, wordt niet helemaal duidelijk, maar hij vormt wel een aangename uitzondering op de regel dat de hoofdpersonen zich afzijdig houden. ”Ik ben een vergissing', zo deelt hij even plompverloren als openhartig mee. In afgebeten zinnetjes geeft hij een indruk van zijn hopeloze bestaan. ”Af en toe ga ik in de goot liggen. Ik oefen vast. Wie ben ik, wat heb ik gedaan of nagelaten, valt er nog iets te redden of is het beter de tijd die me rest zuipend en lanterfantend door te brengen en en af en toe voor de gebroken spiegel te staan, en mezelf toe te spreken: Jij daar, naakte poliep, je zult niet lang meer leven. Wat zeg je? Je moet eens op je woorden letten. Je hebt niks meegemaakt jij. Niet eens een granaatscherf in je hersens of een kogel in je reet gehad. Ga je inzepen. Krab je kin af. Trek je vodden over je jichtige botten. Borstel je haar, clown die je bent, circusdwerg.'

Deze agressieve innerlijke monoloog is aantrekkelijk, omdat de boosheid zich hier op zichzelf richt en niet, zoals in de rest van de bundel, op de buitenwereld of de medemens die in gebreke zou zijn gebleven. Aardig aan dit verhaal is ook dat het nogal naargeestige realisme dat Vacher bedrijft, hier af en toe overgaat in een experimenteler soort proza, waarin de taal zelf onderwerp kan worden van overpeinzing. ”Mooi woord fixatiepunt', merkt de man op, nadat hij heeft vastgesteld dat het hem aan zo'n punt ontbreekt. ”We zijn te puriteins voor de x. Ik ga mijn ruimte in de Belgische driekleur met x-en behangen, de taal vergiftigen met karrevrachten x-en. Bij de kastelein eis ik een biex, bij de bakker een broox, en lastige wijven snauw ik af: Laat me lox, stomme truxxen.'

De overige verhalen zijn veel realistischer en door hun verregaande gedetailleerdheid ook een stuk oninteressanter. Niet onaardig in zijn soort is het stoere, maar veel te langgerekte relaas van een gevangenisboef, een onverbeterlijke handelaar in verdovende middelen. Hij kijkt terug op zijn criminele verleden en komt tot de slotsom dat hij te aardig is geweest. ”Ik was te goed. Dat kan helemaal niet. Als je aardig bent word je gewantrouwd en door het slijk gehaald. Je moet mensen over hun kop pissen, dan hebben ze respect voor je.'

Bizar

In het algemeen moeten de verhalen van Vacher het te veel hebben van hun gewaagde inhoud en te weinig van de vorm. Als de levens maar bizar genoeg zijn, lijkt hij te hebben gedacht, dan volstaat het om er eenvoudigweg een hap uit te presenteren. Hij past daarbij steeds hetzelfde, weinig effectieve procédé toe. Hij valt met de onthulling in huis. ”Ik had de Baby nooit op tafel moeten laten liggen', zo heet het in een van de verhalen. Of hij opent met deze mededeling: ”Al vijfentwintig jaar kom ik in de abdij voor de voordrachtlessen, als een schurftige hond ben ik buitengezet'. Daarna volgt pas de eigenlijke geschiedenis, die dan al meteen van zijn pointe en voortijdig van zijn spanning is beroofd en alleen nog maar als een nachtkaars uit kan gaan.

Het zwakste verhaal uit de bundel is wel ”Leestraining', over een vreselijk verongelijkte, overspannen acteur die vijftig bladzijden lang doorzanikt over een homoseksuele priester, Chris genaamd, die hem onheus heeft bejegend. Hij mag daarbij in de meest onmogelijke details treden, zodat zijn klaagzang aaneenhangt van zeurderige passages als de volgende: ”Ook Wilma 't Sant, de notarisweduwe, was op de verjaardag en ik maakte een praatje met haar over sieraden en ze bewonderde mijn gouden ring met een cobochon geslepen topaas. Terwijl ik met haar over de gewone dagelijkse dingen sprak, wachtte ik op een gelegenheid om ongedwongen kennis te maken met rector De Gier, de baas van Chris (-). De Gier stond vlakbij maar toen ik mijn hand uitstak om me voor te stellen, keek hij me aan en draaide me de rug toe. Later werd het me duidelijk dat Chris De Gier met leugens over mij had bestookt.'

Wat we precies aanmoeten met deze randfiguren van Vacher zou ik niet durven zeggen. Ze hebben in elk geval weinig mee te delen dat de moeite van het onthouden waard is. Maar misschien is dat juist zijn bedoeling: te laten zien dat ”het leven' niets voorstelt en alleen maar een aaneenschakeling is van willekeurige en onbeduidende gebeurtenissen, waarin verwisselbare types een bescheiden rolletje spelen. Alles gaat voorbij, zo zou je de levensfilosofie kunnen samenvatten die ten grondslag ligt aan Vrije val. Een waarheid als een koe, dat zeker, maar wel een wat slaapverwekkende waarheid.

    • Janet Luis