VNO heeft ouderwetse denkbeelden over milieuheffingen

VNO-voorzitter A.H.G. Rinnooy Kan lanceert op de opiniepagina van 6 oktober een aanval op de voorgestelde ecotax of milieuheffingen. Het is een merkwaardig stuk, omdat het voorbijgaat aan de actuele stand van zaken.

Ongeveer alle economen zijn het er inmiddels over eens dat de welvaart toeneemt als de milieukosten in de marktprijzen worden opgenomen. Heffingen op schaarse en vervuilende (milieu) goederen als fossiele brandstoffen zijn daarvan een belangrijk onderdeel.

Zo ontstaat een noodzakelijke correctie van het gangbare belastingstelsel, waarin de overheidsinkomsten voor het grootste deel (ongeveer zeventig procent) op de factor arbeid drukken, en voor minder dan tien procent op milieufactoren en energie. Tot nog toe gaf het belastingregime een sterke prikkel aan de economie om minder arbeid in te zetten, en milieugoederen en energie overmatig te gebruiken. Dat moet en kan veranderen, maar het enige dat Rinnooy Kan hierover zegt, is niet doen.

Ouderwets is zijn stelling dat een milieuheffing “alleen effectief is als de prijsgevoeligheid van de desbetreffende milieuvervuilende activiteiten hoog is”. Hij wordt hier slachtoffer van een misverstand, waar de WRR onlangs nog op gewezen heeft: “Een lage prijselasticiteit duidt op geringe mogelijkheden of een geringe gedragsaanpassing, ongeacht het ingezette instrument: directe regulering wordt dan eerder ontdoken en sociale regulering eerder veronachtzaamd”, aldus de WRR in zijn laatste milieurapport.

Van hetzelfde gehalte is de bewering dat voor energiegebruik “geen echt schoon alternatief voorhanden is, althans niet op de schaal die nodig is. Dat zal zo blijven tot het taboe op kernenergie verdwijnt”. Zo'n alternatief is er natuurlijk wel: energiebesparing. Op grote schaal en op korte termijn beschikbare, bewezen technologieën, en al jaren met succes toegepast, ondanks het taboe erop bij het VNO. En bovendien hebben heffingen c.q. prijsprikkels ook hier uitstekend gewerkt.

Natuurlijk kan een land dit niet in zijn eentje. Er zijn daarom twee wegen die gelijktijdig moeten worden bewandeld. De eerste is natuurlijk: zoveel mogelijk andere landen proberen mee te krijgen. De tweede is: binnenlands met minder vergaande maatregelen genoegen nemen dan eigenlijk nodig zou zijn. In tegenstelling tot wat Rinnooy Kan beweert, heeft de commissie-Wolfson een variant doorgerekend (de C-variant) die de concurrentiepositie ontziet. Professor Wolfson zelf benadrukt dit tot vervelens toe, maar bij het VNO wenst men deze conclusies niet te horen. Voor een beperkte binnenlandse energieheffing waarvan de opbrengsten worden "teruggesluisd' naar de burgers en bedrijven, bestaat inmiddels brede maatschappelijke steun bij FNV, CNV, de Consumentenbond, de milieubeweging en de kerken. De vakbeweging heeft zich hierbij constructief opgesteld en heeft verklaard dat men bij invoering van een energieheffing geen hogere looneisen zou stellen. Ook dit geluid blijkt niet bij het VNO doorgedrongen; Rinnooy Kan beweert tenminste zonder blikken of blozen dat er hoogstwaarschijnlijk wel looneisen zullen komen. Het is kennelijk de hoogste tijd om de oude afspraken tussen VNO en FNV over milieu nu eens echt leven in te blazen. De opstelling van de vakbeweging in deze is natuurlijk ook positief omdat er - alweer in tegenstelling tot wat Rinnooy Kan beweert - wel degelijk een gunstig werkgelegenheidseffect uitgaat van milieuheffingen.

De vraag dient zich aan waarom de VNO-voorzitter zo'n bedroevend betoog afsteekt. De gangbare constatering dat de energie-intensieve bedrijven in het VNO de dienst uitmaken en er dus alles aan doen om bedreigende maatregelen met een beroep op het algemeen belang buiten de deur te houden, is te simpel. In onze advies- en onderzoeksrelaties met grote, energie-intensieve bedrijven krijgen wij een ander beeld. De werking van het prijsinstrument wordt nergens ontkend en wat meer is: het idee van lastenverschuiving van arbeid naar energie en milieu is op bedrijfsniveau goed bespreekbaar. Het recente standpunt van Shell Nederland over de koolstofheffingen bijvoorbeeld is constructief; Rinnooy Kans collega Blankert van de NCW noemde kortgeleden de lastenverschuiving van milieu naar arbeid zelf "een interessante gedachte'. Dat is allemaal niet zo verwonderlijk, want ook (juist) grote milieu-intensieve bedrijven hebben er belang bij dat de milieuproblematiek wordt opgelost, en vooral netjes wordt opgelost. Ze realiseren zich dat een constructieve opstelling noodzakelijk is, waarin het bedrijfsleven zelf met oplossingen komt. Het VNO staat in de achterhoede en roept maar wat.

    • Jan Paul van Soest
    • Wouter van Dieren
    • Schone Technologie in Delft
    • Systeemanalyse in Amsterdam