Twintig jaar onderwijs in eigen taal en cultuur; Kluwen van goede bedoelingen; OETC werd een ideologische veldslag, waarbij de verbetering van de onderwijskansen van minderheden op het tweede plan leek te staan

De heer G. van Leijenhorst, van 1982 tot 1986 staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, spreekt een beetje Maleis. Toen hij op een dag een school in Assen met veel Molukse leerlingen bezocht, sprak hij een paar van die kinderen aan op de speelplaats. In het Maleis, want de school gaf de jonge Molukkers immers Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC). Uiteindelijk vond Van Leijenhorst één kind dat hem verstond, de rest keek hem niet-begrijpend aan. ""Toen heb ik me wel afgevraagd wat we doen met ons goeie geld'', zegt hij nu.

Ook J. van Kemenade (minister van 1981 tot 1982) waagde zich eens op een speelplaats. Het was een school in Den Haag, met veel Marokkaanse leerlingen. Het viel de bewindsman op dat de Marokkaanse kinderen Nederlands met elkaar spraken. Hij uitte zijn verbazing tegenover de dame die Arabische les gaf. Zij legde hem uit dat de kinderen allemaal verschillende Berbertalen spraken en dat het Nederlands hun enige communicatiemiddel was. ""Misschien stom van me, maar toen pas realiseerde ik me dat die kinderen geen les kregen in hun moedertaal'', geeft Van Kemenade nu toe.

Twee observaties van bewindslieden, die elk in hun tijd het onderwijs in eigen taal en cultuur met vele miljoenen guldens subsidieerden, maar die op de speelplaats plotseling hevig aan het nut van al die inspanningen gaan twijfelen. Het zijn niet de enige paradoxen die staan opgetekend in Het partiële gelijk, het boek dat Leo Lucassen en André J.F. Köbben over het OETC schreven. Ze raakten geïntereseerd in het onderwerp omdat de meningen erover zo gepolariseerd zijn. Voorstanders betogen dat onderwijs in de eigen taal en cultuur van groot belang is voor het verwerven van een "positief zelfbeeld' door kinderen uit minderheidsgroepen. Het kind krijgt het idee dat zijn "anders-zijn' wordt geaccepteerd, en dat verschaft een goede basis voor integratie in de Nederlandse samenleving. Tegenstanders vinden het onderwijs in de eigen taal tijdverspilling die vooral leidt tot extra achterstanden en isolement. "Indompeling' in de nieuwe cultuur geeft volgens hen de meeste kansen op succesvolle integratie. De tegenstelling is hard en de partijen staan onverzoenlijk tegenover elkaar.

Die polarisatie vonden Lucassen en Köbben nu juist zo interessant. Meer dan bij huisvesting of arbeidsvoorziening, zeggen ze, openbaart zich in het onderwijs de tegenstelling tussen mensen die vinden dat het voor iedereen het beste is als minderheden zich zo snel mogelijk aanpassen en diegenen die minderheden de kans willen geven als aparte etnische groepen te leven. Natuurlijk is de werkelijkheid ingewikkelder. Het OETC is een kluwen van goede bedoelingen, tegenstrijdige belangen en onderzoeksbevindingen. Het is de verdienste van de auteurs dat ze het bestaan van die kluwen aantonen en hem vervolgens nauwgezet afwikkelen. Ze grijpen daarbij ver terug: tot het Nederlandse onderwijs zoals dat in de periode voor de oorlog in Nederlands-Indië werd gegeven. Al vroeg voerden verschillende pedagogen en onderwijsdeskundigen bezwaren aan tegen de overschatting van "het westerse' en de verwaarlozing van het "volkseigene' op de scholen. De belangrijkste woordvoerder van deze richting was de onderwijsspecialist dr. G.J. Nieuwenhuis. Het te snel aanleren van een vreemde taal leidde volgens hem tot schade aan verstand en persoonlijkheid, de vreemde taal was immers een even gebrekkig instrument "als gebarentaal of morse-schrift'. De ideeën van Nieuwenhuis hebben veel invloed gehad, niet alleen in Nederlands-Indië, waar in de jaren dertig het onderwijs volgens zijn inzichten werd omgevormd, maar ook later in Nederland.

Zover was het nog niet in de jaren vijftig. Tegenover de Ambonezen die vanaf 1951 naar Nederland emigreerden, voerde de overheid op het terrein van het onderwijs volgens Lucassen en Köbben "een onversneden assimilatiebeleid'. Het curriculum was zoveel mogelijk standaard. Pas na de komst van de gastarbeiders, vanaf het begin van de jaren zestig, werd dit assimilatiebeleid ter discussie gesteld. De gastarbeiders waren hier immers maar tijdelijk, zo dacht men, dus lag het ook niet zo voor de hand hun het complete Nederlandse schoolsysteem op te dringen. In de jaren zeventig begon langzaam het besef door te dringen dat de immigranten hier waarschijnlijk voorgoed zouden blijven en mede onder invloed van internationale organisaties als de VN, de Unesco en de Raad van Europa maakte de assimilatiegedachte plaats voor het idee van "integratie met behoud van eigen identiteit'. In de onderwijspraktijk bleef het bij beperkte subsidies voor extra leerkrachten en de aanstelling van consulenten. In 1985 werd het recht op OETC wettelijk vastgelegd in de Wet op het basisonderwijs.

Intussen werden de pedagogische uitgangspunten van het OETC steeds vaker aangevallen. OETC werd voorzichtig aan "cultureel isolement' gekoppeld en minister Van Kemenade vroeg zich hardop af of "gelijkwaardigheid' en "eigen identiteit' niet op gespannen voet met elkaar stonden. Toen de kritiek toenam, leidde dat echter niet tot het opgeven van het OETC, maar tot het opgeven van de tot dan toe geldende rechtvaardiging - een oplossing die je wel vaker in het beleid tegenkomt. Het OETC werd nu voorzien van een aan de linguïstiek ontleende motivering kennis van de eigen taal zou een voorwaarde zijn voor het met vrucht leren van het Nederlands. Vandaag de dag heeft de laatste redenering iets meer wetenschappelijke status dan de eerste, maar voor de eerste bestaat nog steeds veel sympathie.

Aan het einde van hun overzicht wijzen Lucassen en Köbben op de kloof tussen de departementale "woord-acrobatiek' en de onderwijspraktijk. Hoewel het OETC zo'n zestig miljoen per jaar kost - bijna 1 procent van de totale kosten van het basisonderwijs - is het aantal uren beperkt tot 2,5 per week, zijn Surinamers en Antillianen ervan uitgesloten, is er een tekort aan goede leerkrachten, is op veel scholen deelname vrijwillig en krijgen de kinderen niet zelden in de OETC-lessen een taal gedoceerd die voor hen even ver van hun moedertaal afstaat als het Nederlands. In feite, schrijven de auteurs, is "indompeling de norm'. Ten slotte trekken ze de conclusie dat er een "ideologische veldslag' wordt geleverd "waarbij een werkelijke verbetering van de onderwijskansen van minderheden op het tweede plan lijkt te staan'. Dat is wel zo'n beetje de hardste uitspraak die de auteurs doen. Ze spreken zich niet voor of tegen het OETC uit - de titel van hun boek duidt daar ook al op. De lezer die hun genuanceerde betoog heeft gevolgd heeft zijn conclusie inmiddels wél getrokken. Van het OETC in zijn huidige vorm deugt bijzonder weinig en de miljoenen die er nu aan worden besteed zijn voor een groot deel weggegooid geld.

Een evaluatie van het OETC was niet het eerste doel van Lucassen en Köbben. Het ging hen om de rol van de wetenschap in discussies als deze, ze laten hun boek zelfs beginnen met de zin: ""Dit boek is een proeve van wetenschapsonderzoek''. In dit opzicht is het boek echter het minst geslaagd. Verscheidene keren wordt pas aan het einde van een hoofdstuk een paragraafje voor het onderzoek gereserveerd. Politiek en beleid bepaalden inderdaad de agenda, maar zo krijgt de wetenschap niet de centrale behandeling die je op grond van die eerste zin zou verwachten. Erg is dat allemaal niet, want de waarde van het boek ligt elders. Lucassen en Köbben hebben de ontwikkeling van het OETC met grote nauwkeurigheid gevolgd en geanalyseerd. De historische excursies zijn verhelderend en van hun opmerkingen - bijvoorbeeld dat algemene uitspraken over OETC geen zin hebben, maar dat steeds gekeken moet worden naar de situatie en de groep waarom het gaat - zouden ambtenaren en zaakwaarnemers heel wat kunnen opsteken. Maar dat zal wel niet gebeuren. Het is een van de lessen die dit boek leert: tegen goede bedoelingen is geen kruid gewassen.

Leo Lucassen en Andre J.F. Köbben. Het Partiële Gelijk. Controverses over het onderwijs in de eigen taal en cultuur en de rol daarbij van beleid en wetenschap (1951-1991). Swets en Zeitlinger. Amsterdam/Lisse, 1992. 199 blz. ISBN 90 265 1292 9. Prijs: ƒ 32,50.

    • Warna Oosterbaan