Staalkaart

Welk een onverwacht genoegen in de vrijdagkrant: vijftig blote mannelijke delen op een plaat. Een staalkaart als het ware. Het origineel (hoe groot? ook in zwart-wit?) bevindt zich op een tentoonstelling van een type dat pas kort geleden is uitgevonden, een tentoonstelling namelijk die niet bedoeld is om iets te tonen, maar die ”over' iets gaat, een kijkje biedt in het gedachtenleven van een enkele persoon, de tentoonstellingsmaker. Die ijdeltuit is in dit geval Peter Greenaway, een man die zich begin dit jaar ook heeft mogen uitleven in Rotterdam; deze expositie is te zien in Wenen en heeft als thema de hele wereld, in één pretentieus gebaar.

Maar deze plaat is onvergetelijk.

Vijftig vriendjes, zij hangen er allemaal rustig bij, oud en jong, vrijmoedig en verlegen, scheef en symmetrisch. Kleine opdondertjes, grote kerels, slappe treurneuzen. De afzonderlijke fotootjes zijn niet groter dan postzegels, net groot genoeg om vijftig keer het altijd zo angstvallig bewaarde geheim te onthullen. Geen twee zijn er hetzelfde, dat was natuurlijk bekend - maar wie heeft het ooit met zo'n staalkaart kunnen verifiëren?

“Wat een lelijk ding is het toch”, bromt naast mij een man bij het zien van de plaat en ik ben het daar volstrekt mee oneens. Als dat lelijk is, is een gezicht ook lelijk. Niets boezemt afkeer in aan zo'n verzameling mannendelen; vertedering, opgetogenheid, die voel ik. Wat zouden wij er als kinderen niet rijk mee zijn geweest, wij die (anders dan alle kinderen van nu die ik ken) geen notie hadden, geen enkele visuele voorstelling. Wij sloegen ons voor de kop dat wij als kleuters niet beter hadden opgelet, toen wij tenminste nog de piemeltjes van onze kleine broertjes te zien kregen.

Eens las ik een grotemensenboek waarin een soort Adonis voorkwam die altijd bij het zwembad van een hotel rondhing. Toen verdronk hij, en in zijn zwembroek trof men een opgerolde zakdoek aan. (Kent iemand dat boek?) Ik geloof dat ik het hele idee van die zakdoek maar half begreep.

Er staan wel onooglijke exemplaren op de staalkaart, daar niet van. Vooral een paar waarvan ik vermoed dat zij hoogbejaard zijn spreken mij niet zo aan. Het prettigst om te zien zijn toch de grote jongens. De politiek correcte visie - dat het formaat onbelangrijk is - heeft misschien vele ware kanten, maar als je toch de keus hebt, wat let je dan, nietwaar?

En ach, wat is mooi? Ondanks de stortvloed van banale antwoorden blijft de vraag klemmen. Een Schotse professor schreef in de achttiende eeuw dat wij datgene mooi vinden wat ons herinnert aan aangename zaken. Dat was niet zo'n heel originele gedachte, maar het voorbeeld dat hij aanvoert is leuk in zijn onverstoorbaarheid. Grazige weiden zijn een lust voor het oog, schreef hij, mede omdat zij het plezierige idee van vruchtbaarheid oproepen. Een tapijt van bloeiende hei daarentegen zou iets heel moois kunnen zijn, ware het niet dat hei ons herinnert aan de barre gronden die zij bedekt.

Nu, ik weet niet wat de professor zelf van onze vijftig roeden zou hebben gevonden, maar als je zijn gedachten over plezierige zaken en grasland op ze toepast komen zij er toch niet slecht van af.

Overigens had hij het natuurlijk wel mis, tenminste voor de helft. Naast het soort van mooi dat hij beschrijft, beladen met gevoelens, associaties, noem maar op, heb je wel degelijk ook het afstandelijke, het mooimooi. We kunnen ze uitzetten op een schaal: aan het ene eind, ver weg, woont de zee. Ongenaakbaar, eng, belangeloos, prachtig. Aan het andere het menselijk lichaam - altijd één bepaald lichaam - met al zijn aanbiddelijke bobbels en plooien, geurige holten, zachte vlakken. Alles wat verder mooi is woont tussen die twee in. Als ik niet te lang nadenk zeg ik dat de verste helft belangrijker is, qua mooizijn. Maar tegelijk gaat niets ter wereld boven dit eind, dat lijf. Het zal wel instinct zijn.