Sociale partners en overheid omarmen oudere werknemer

UTRECHT, 22 OKT. Ineens staat de groep in de volle schijnwerpers: de oudere werknemer in Nederland is plots geen tweede-rangs personeelslid meer, wiens flexibiliteit en zin om nog iets te leren ver te zoeken is. Hij is nu een functionaris met veel ervaring en grote kennis van zaken.

De lof die de oudere werknemers dezer dagen oogst is niet van de lucht. Vakbeweging, overheid en werkgevers lopen met hem weg. De lofzwaaiers zijn overigens niet van eigenbelang gespeend.

“Ik heb nooit geweten dat ik zo gewaardeerd werd”, verzuchtte een oudere man gisteren in de Jaarbeurs in Utrecht. Daar organiseerde de vakcentrale FNV een bijeenkomst over ouderenbeleid en presenteerde ze de nota "Werkend ouder worden'. Conclusie: de mensen moeten op een gezonde manier langer aan het werk blijven.

De aandacht voor de oudere werknemers is pure noodzaak, menen zowel sociale partners als overheid. Uit de demografische ontwikkeling van de Nederlandse bevolking blijkt dat steeds minder jonge mensen beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Daarnaast leidt de hogere inactiviteit onder ouderen tot hogere premies voor VUT, AOW en WAO. Dat zet het sociale zekerheidsstelsel onder druk.

De manier waarop de betrokken partijen de oudere werknemer aan het werk willen houden verschilt. Minister De Vries (sociale zaken), bij voorbeeld, kondigde aan af te willen van de richtlijn die bepaalt dat bij collectief ontslag oudere werknemers als eersten het veld ruimen. Oudere personeelsleden komen na ontslag nauwelijks meer aan de bak, meent de minister, terwijl jongeren makkelijker een baan vinden. De Vries keert zich daarmee tegen het advies van de Stichting van de Arbeid - waarin centrale werkgevers- en werknemersorganisaties zitten - die onlangs voorstelde de richtlijn nog drie jaar te handhaven. Ook vroeg de bewindsman zich gisteren af of de vrijstelling van sollicitatieplicht voor mensen van 57,5 jaar en ouder moet worden gehandhaafd.

Voorzitter Rinnooy Kan van de centrale werkgeversorganisatie VNO had één remedie: het huidige ouderenbeleid moet zo snel mogelijk worden afgeschaft. Het voorstel van FNV-voorzitter Stekelenburg om een vierdaagse werkweek voor mensen van 50 jaar en ouder in te voeren, noemde hij “bizar”. Deze vierdaagse werkweek voor 50-plussers is gebaseerd op vrijwilligheid en stelt bovendien als voorwaarde dat de hoeveelheid werk in de overige vier dagen niet toeneemt. “Stekelenburg moet zich er persoonlijk zorgen over maken dat de grens tussen jong en oud nu blijkbaar al bij 50 ligt.” Vooral het collectieve karakter van het voorstel stuitte de werkgevers tegen de borst. “En dat is zeker maatwerk”, merkte Rinnooy Kan vinnig op.

De werkgevers willen de drempel van de verschillende "uittredingroutes' juist verhogen in plaats van verlagen. De VUT-regeling, waarbij werknemers van 60 jaar en ouder het bedrijf kunnen verlaten en 80 à 85 procent van het laatsverdiende loon ontvangen, ligt daarbij onder vuur. Hoewel Rinnooy Kan gisteren zei die regeling in 1993 niet te willen afschaffen, legde hij sterk de nadruk op het woord 1993.

Een "breed ouderenbeleid' is noodzakelijk. Deeltijd-VUT, flexibele pensionering, loopbaanbegeleiding in de tweede helft van de carrière en het tegengaan van leeftijdsdiscriminatie zijn daarvan voorbeelden. Uit de zaal bleek dat vooral het veelvuldig stellen van leeftijdsgrenzen in personeelsadvertenties (“gevraagd: medewerker van 25 jaar met 40 jaar ervaring”) als zeer storend wordt ervaren. De plotselinge omarming van de oudere werknemer maakte de aanwezigen overigens erg cynisch en argwanend. “Ik had nooit gedacht dat ik van de heren nog eens zoveel waardering zou krijgen”, zei een man. “De tranen van gevoel biggelen langs m'n smoel.”