Reconstructie van een oorlogsschip

Op het Griekse eiland Samothrake stond een standbeeld van de godin Nike. De sokkel van het standbeeld was een schip. Wat voor schip was dit? Hoe groot was het? En wie liet het standbeeld vervaardigen?

Het beeld van de Griekse godin van de overwinning, de Nike, dat nu in het trappenhuis "Daru' van het Louvre-museum staat opgesteld, maakt een overweldigende indruk. In totaal is het monument, dat de gevleugelde godin weergeeft terwijl ze lijkt neer te dalen op de boeg van een schip, bijna zes meter hoog. Toch maakt, ondanks de beschadigingen, de kwaliteit van het beeld uiteindelijk meer indruk dan de afmetingen dat doen. Voor wie gewend is op dat soort dingen te letten, is het merkwaardig om te zien hoe de kleding van de godin haar tegen het lichaam wordt gedrukt, hoe de losse lijnen ervan lijken te wapperen in de wind die de beeldhouwer suggereert.

Oorspronkelijk stond het beeld dan ook in de open lucht, in het heiligdom van de "grote goden' op het eiland Samothrake, dat in het noorden van de Egesche Zee voor de kust van Thracië ligt. Het monument moet daar meer tot zijn recht zijn gekomen dan op zijn huidige standplaats. Het is zoiets als met doedelzakmuziek van een opname binnenskamers - indrukwekkend, maar het blijft muziek die men buiten moet horen.

Zo ook wat betreft het beeld van de Nike: men zou het eigenlijk op de steile noordhelling van het eiland Samothrake moeten zien, de felle bries trotserend die daar meestal waait, toegewend naar het vasteland dat in de verte zichtbaar is.

Aardbeving

Zo stond het beeld van de godin daar op zijn schipvormige sokkel in het bovenste van twee bassins van een fontein die was uitgegraven in de helling, toen het werd gezien door de vroeg-christelijke schrijver Nikostratos, die we alleen maar kennen via citaten uit zijn werk door Renaissance-schrijvers. Hij vermeldt dat hij bij een bezoek aan het eiland het beeld zag van "een godin die naar voren snelde om haar heiligdom te verdedigen'; zonder twijfel was dat de Nike.

Daarna, tijdens de regering van Justinianus, in het midden van de zesde eeuw, moeten het beeld en de sokkel grotendeels in het onderste bassin zijn terechtgekomen tijdens een hevige aardbeving die toen de Ege- ische Zee teisterde. Bij deze gebeurtenis werden alle monumenten en gebouwen van het Samothraakse heiligdom verwoest.

Het beeld van de godin, overwoekerd en half onder het zand bedolven, werd pas in 1863 teruggevonden door arbeiders van de Franse consul en oudheidkundige Champoiseau, die een naburig gebouw aan het opgraven was. Zijn werklieden meldden hem dat ze een "vrouw hadden gevonden', en toen daar gegraven werd kwamen stukje bij beetje de brokstukken van de Nike en de sokkel van het beeld te voorschijn. Deze werden overgebracht naar het Louvre en daar samengevoegd tot het beeld dat wij nu kennen, met veel gips dat de stutten overbodig maakte die anders noodzakelijk zouden zijn om de brokstukken in positie te houden.

Munten

De identificatie van het beeld met de godin van de overwinning "Nike' berust op afbeeldingen, waar zij met name wordt genoemd, staande op de boeg van een schip. De oudste van deze afbeeldingen vindt men op munten die de Macedonische vorst Demetrios liet slaan ter gelegenheid van zijn overwinning in de zeeslag bij Salamis op Cyprus in -306 (We zullen in dit artikel het gebruik volgen om jaartallen voor en na het begin van onze jaartelling met - en + aan te duiden).

Het is begrijpelijk dat men in de vorige eeuw aanvankelijk dacht dat het Samothraakse beeld dezelfde zeeslag herdacht, maar meer recent kunsthistorisch onderzoek, met name dat van Bieber (1952), heeft laten zien dat het tussen -200 en -180 moet zijn ontstaan. Nieuwe opgravingen in Samothrake die omstreeks dezelfde tijd werden uitgevoerd brachten keramisch materiaal aan het licht waaruit bleek dat het monument uit de late derde, of vroege tweede eeuw voor de jaartelling moet dateren. De opgraver, Karl Lehmann, noemde deze overeenstemming met de resultaten van het kunsthistorisch onderzoek "a quite cheerful fact' (1973).

Als er niet meer gegevens beschikbaar zijn, is het een kwestie van gissen welke zeeslag hier herdacht werd, omdat er aan zeeslagen in deze periode geen gebrek was. Zo'n gegeven zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat het marmer waar het beeld van de godin van werd gemaakt, afkomstig is van het eiland Paros, dat van de sokkel uit de groeve bij Lartos op Rhodos. Helaas betekent dit op zich nog niet veel, daar alle marmer op Samothrake moest worden ingevoerd. Het beeld is van zo hoge kwaliteit, dat de beeldhouwer een beroemd, of op zijn minst bekend man moet zijn geweest.

Enkele namen van beeldhouwers van omstreeks -200 zijn overgeleverd. Als mogelijke maker van het beeld noemde Lehmann de Samothraakse beeldhouwer Hieronymos, die op Rhodos samenwerkte met Rhodische vakbroeders, maar Basch betoogt in zijn boek over de marines in de Oudheid (1987) dat het de Rhodische beeldhouwer Pythokritos moet zijn geweest. Hoe dit ook zij, we weten dat uit de Hellenistische periode ongeveer een dozijn van dit soort monumenten bewaard is gebleven, waarvan het Samothraakse als kunstwerk bovenaan staat.

De sokkel

We zullen ons verder geheel beperken tot de scheepsvormige sokkel, en tot het probleem wat voor schip deze sokkel voorstelde. Dit is niet eenvoudig te beantwoorden. Bijvoorbeeld wordt de voor de hand liggende veronderstelling dat hier het admiraalsschip van de overwinnaar is weergegeven, ondergraven door de opmerking van Newell (1927) dat het schip dat op de munten van Demetrios werd afgebeeld, licht beschadigd is. Daarom was het volgens hem waarschijnlijk een op de vijand veroverd schip.

Nu zijn dit soort details op munten moeilijk waarneembaar, maar zelfs als Newell gelijk zou hebben, brengt ons dit niet veel verder. Bij vrijwel elke veronderstelling omtrent de herdachte zeeslag die in de afgelopen honderd jaar is gemaakt behoort de suggestie van een scheepstype en een schatting van de grootte die het oorspronkelijke schip gehad zou hebben. Bij elkaar levert dit een geheel gamma op van scheepstypen en afmetingen. Het laatste gaat van ongeveer ware grootte tot ongeveer drie keer de grootte van de sokkel. Al bij al een nogal ontmoedigende stand van zaken.

De schaalfactor

De benadering van dit interpretatieprobleem dat we hier nu gaan bespreken is analoog aan een natuurwetenschappelijke. We gaan daarbij niet uit van enige historische veronderstelling wat betreft de herdachte zeeslag, maar van details die zichtbaar zijn op het minst beschadigde achterste deel van de sokkel. We trachten deze te rijmen met de menselijke maat in het origineel, en met hetgeen we van het roeien van schepen afweten.

Een artikel in een vaktijdschrift waar deze methode uiteen werd gezet publiceerde ik in 1982; wat nu volgt geeft de enigszins bijgewerkte resultaten ervan. Allereerst trachten we te weten te komen met welke schaalfactor de maten van de sokkel, inclusief die van de details, vermenigvuldigd moeten worden om die van het originele schip te verkrijgen. We zullen deze speciale schaalfactor in het volgende eenvoudig "de schaalfactor' noemen, zonder verdere aanduidingen.

Hierbij moeten we opmerken dat een belangrijk verschil met een natuurwetenschappelijk probleem is dat het van te voren volstrekt niet vast staat dat deze benadering succes kan hebben. Zoals Basch (1987) naar aanleiding van deze sokkel opmerkte wat betreft de getrouwheid van afbeeldingen, is het juist dat ""de nautisch archeoloog die met zijn liniaal en rechthoek de sokkel benadert, zich niet kan veroorloven uit het oog te verliezen, op straffe zich te vergissen, dat de sokkel niet een schaalmodel in drie dimensies is, maar een onderdeel van een gecompliceerde decoratieve structuur die op effect is berekend''.

Nu is dit letterlijk genomen iets overdreven, ook al is de strekking juist: die primaire decoratieve doel kan niet uitsluiten dat de sokkel ook nog een schaalmodel is, of iets dat daar dichtbij komt. Of dat wel of niet zo is kan men slechts te weten komen door proberen, door te beginnen de sokkel als een schaalmodel op te vatten, en te zien of dat tot een logisch samenhangend geheel voert of tot ongerijmdheden. Als het eerste het geval is, moet het wel als zeer waarschijnlijk worden beschouwd dat de sokkel een kunstwerk was dat als schaalmodel was vervaardigd. De kans dat een kunstwerk dat in de eerste plaats op effect was berekend, ook nog een bruikbaar schaalmodel zou kunnen zijn, lijkt namelijk wel heel gering.

De menselijke maat

Het materiële uitgangspunt van deze methode van interpretatie vormt de laatste meter van de sokkel naar de achterkant, het minst beschadigde deel, dat in bijgaande figuur schematisch is weergegeven, dat wil zeggen zonder beschadigingen. We zien hier het uitwendige van een sectie van een roeischip met relatief grote outriggers. Omdat deze bij het origineel kennelijk met planken waren bekleed, zijn het in feite outriggerkasten geworden. In het verticale zijboord zijn op twee niveaus langgerekte scheegaten aangegeven, waarvan het "holte' oppervlak iets geruwd is. Door de scheegaten konden de riemen naar buiten worden gebracht; de dollen waar de riemen omheen draaiden, zijn schematisch in de scheegaten aangegeven. Vermoedelijk stonden ze iets naar binnen toe, wat door de langgerekte vorm van de scheegaten een mogelijkheid was, maar deze vorm maakte het ook mogelijk de riemen bijna plat buiten het boord van de outrigger te leggen, of ze, inclusief de bladen, door de scheegaten naar binnen te trekken.

Wat betreft de dolpennen, die de kracht van de riemen moeten overbrengen op het schip, moet worden opgemerkt dat dit in het gebied van de Middellandse Zee anders gebeurt dan in West-Europa gebruikelijk is. De riemen duwen er niet tegen, maar trekken er aan de ander kant aan via lussen van touwwerk.

Snelle roeischepen

Bij de ontwikkeling van snelle roeischepen gold: hoe meer roeiers, hoe sneller het schip. Het was daarom van groot belang zoveel mogelijk roeiers langs beide boorden te plaatsen. Maar de moeilijkheid was dat achter elkaar zittende roeiers toch een minimum onderlinge afstand nodig hebben van 90 à 100 centimeter. Dit is ook de afstand tussen opeenvolgende dollen, die we in navolging van de Romeinse architect Vitruvius het interscalmium noemen. In de Oudheid werd de methode meerdere riemen, dus ook meerdere roeiers per interscalmium te plaatsen algemeen toegepast bij grotere oorlogsschepen. Ook bij het origineel van de sokkel; daarop duiden de twee niveaus van de scheegaten.

Deze overwegingen, gecombineerd met de afstand van de voorkant van het voorste en onderste scheegat tot aan de achterzijde van de sokkel, 58 centimeter, die overeenkwam met een interscalmium van hoogstens 100 centimeter bij het schip, leiden samen tot een maximumwaarde voor de schaalfactor van 1,7. Hierbij is aangenomen dat een volgend scheegat in het model onmiddellijk op 58 centimeter afstand zou zijn gevolgd. Deze afstand kan natuurlijk ook groter zijn geweest, en er valt daarom op basis van het interscalmium niet een minimum aan te geven voor de schaalfactor.

De verdiepte loopgang in het bovendek geeft aanleiding tot zowel een boven- als een onderwaarde voor de schaalfactor. De onderwaarde volgt uit de benodigde zithoogte voor de roeiers onder de loopgang, de bovenwaarde uit de limiet van ongeveer 100 centimeter als de speerwerpers en boogschutters die in die gang stonden hun ellebogen vrij moesten hebben bij het verrichten van hun taak. In de sokkel is die loopgang 60 centimeter breed en 73 breed. Te laag, en een beetje nauw voor een loopgang op ware grootte, en resulterend in een maximumwaarde voor de schaalfactor van 1,67 voor wat betreft de diepte.

Deze afmetingen van de sokkel werden gepubliceerd door Carlini, die in 1934 een fraai artikel met zorgvuldige maattekeningen van de sokkel publiceerde. Het is wonderlijk dat hij bij zijn eigen reconstructie de verzonken loopgang buiten beschouwing liet, en in plaats daarvan een wat hoger dek over de volle breedte aannam. Een procedure waarbij men, door een gegeven dat voorhanden is zonder goede reden te verwerpen, als het ware de tak afzaagt waar men op zit. Zelfs dan bleek het niet goed mogelijk voor de schaalfactor de waarde 1 te handhaven, waar Carlini om een of andere reden zijn zinnen op had gezet. Hij kwam uit op 1,1, evenals Landström (1962), die zijn arrangement van de roeiers overnam. Als we, zoals zij niet deden, rekening houden met de diepte van de loopgang in de sokkel, levert dit arrangement voor de zithoogte van de roeiers, als het geen dwergen waren, een minimum schaalfactor van 1,3 à 1,4 op.

Scheepskat

Waar de sterk gewelfde bovenkant van de outriggerkast abrupt overgaat in een zijdekje vindt zich aan elke zijde een inspringende hoek. In de drie daar samenkomende oppervlakken is kennelijk een gat aangegeven met een oppervlaktestructuur zoals bij de scheegaten. Als we accepteren dat hier de contouren van een gat worden aangegeven, volgt de vraag waar die gaten voor dienden. Als de sokkel een model op ware grootte zou zijn geweest, had een klein kind of een poes er door gekund, maar een oorlogsschip is geen plaats voor een kind, en, voor zover wij weten, kenden de Grieken toen de scheepskat nog niet. Als het mangaten waren waar een volwassen man door passeren kon, en dat lijkt de meest redelijke interpretatie, was duidelijk een grotere schaal nodig.

Het bleek niet moeilijk aan de hand van een eenvoudig experiment een minimum schaalfactor vast te stellen. Een drietal dozen van golfkarton, elk in een hoek voorzien van een gat van de vorm zoals rond de inspringende hoeken in de bovenzjde van de outrigger aangegeven, vormden het voornaamste element van de proef. De gaten in de drie dozen waren op de schaal op 1, 4 op 3 en 3 op 2 gesneden. Het andere bestanddeel van het experiment was een proefpersoon die 40 centimeter over de schouders mat, en die gevraagd werd zich door elk van deze drie gaten een weg te banen. Dat bleek onmogelijk voor het gat op de schaal 1 op 1, lastig, maar niet onmogelijk als van te voren de armen boven het hoofd werden gestrekt, voor het model op de schaal 4 op 3. Bij het gat dat op de schaal 3 op 2 was uitgesneden kon de proefpersoon zich zonder acrobatische handelingen precies door het gat begeven. De conclusie was dat de schaalfactor tenminste 1,5 moet zijn geweest.

Het mangat stelde de voorste roeiers in staat gemakkelijk de kleine zijdekjes boven de outriggerkast te bereiken; ze konden dan assisteren bij het afvaren of aanleggen van het schip, zoals voorste roeiers aan boord van roeisloepen dat gewoonlijk nog doen. Als het nodig was kon zo'n mangat eenvoudig worden afgedekt door een schild. Of alle roeiers via deze mangaten in en uit het schip moesten komen weten we niet, maar het lijkt niet waarschijnlijk, omdat het veel tijd gekost zou hebben. Voor de hand liggende alternatieven voor de functie van deze gaten lijken niet aanwezig.

Uit dit alles volgt dat de waarde van de werkelijk toegepaste schaalfactor tussen 1,5 en 1,67 gelegen moet hebben. Een mogelijk precieze waarde volgt uit de overweging dat de onderverdeling van de Griekse voet een rol gespeeld zal hebben. Een pous (Griekse voet) was gelijk aan 16 daktyloi (vingerbreedten) en enkele lengten van bepaalde aantallen daktyloi waren bekend onder aparte namen. Een verhouding van 16 op 10 voor de afmetingen van het schip ten opzichte van de sokkel ligt voor de hand, vooral ook omdat een lengte van 10 daktyloi bekend was als 1 lichas. De verhoudingen 16 op 9 en 16 op 11 vallen beide buiten het gebied van mogelijke waarden. Een pous in het werkelijke schip voor elke lichas op de sokkel betekent dat de schaalfactor 1,6 bedroeg; dat ligt ongeveer in het midden van het gebied van mogelijke waarden dat we hadden vastgesteld.

Het roeien

Uit de afmetingen van het oorspronkelijke schip blijkt dat het niet meer dan een bireme kan zijn geweest, dat wil zeggen dat het een roeischip was met twee riemen per interscalmium en een man op elke riem. Aan deze beschrijving voldoet overigens ook de reconstructie volgens Carlini, maar zelfs als we afzien van de eerder geformuleerde bezwaren tegen zijn reconstructie, blijven er grote problemen bestaan met zijn voorstel. Het voornaamste is wel dat hij, door de buitenroeiers tussen de dicht bij elkaar geplaatste riemenparen te laten zitten, het interscalmium van ongeveer 90 centimeter met 35 centimeter vergrootte. Daar het primaire doel van het toepassen van meerdere riemen per interscalmium was het aantal roeiers langs de boorden op te voeren, werd hiermee het effect van de extra riem voor een groot deel weer te niet gedaan: daarom is het volstrekt niet aannemelijk dat dit systeem ooit werkelijk is toegepast.

De Britse marineofficier Tilley heeft in 1971 met proeven aan roeisloepen gedemonstreerd dat het technisch heel goed mogelijk is dat de riemen van de binnenroeiers onder de armen van de buitenroeiers door naar buiten staken. In dat geval wordt het interscalmium niet vergroot. Het meest opvallende verschil met het arrangement van Carlini is dat de korte en de lange riemen zijn verwisseld, maar belangrijker is in feite dat het interscalmium bij dit arrangement niet toeneemt. Tilley stelt zich voor dat roeiers die de binnenriemen hanteerden in een enkele rij achter elkaar zaten, beurtelings een bakboords- of stuurboordsriem hanterend, maar deze binnenroeiers kunnen in een iets breder schip ook in twee rijen naast elkaar gezeten hebben. Deze variant met vier rijen roeiers in plaats van met drie lijkt iets waarschijnlijk in ons geval.

Een tweede bezwaar tegen het voorstel van Carlini is dat het lengteverschil tussen de riemen veel te groot is; de langste riem is bijna anderhalf keer zo lang als de kortste. Voor roeiers die in hetzelfde schip en in hetzelfde ritme aan een groot aantal riemen moeten trekken is het het plezierigst als alle riemen gelijk zijn, maar enig lengteverschil is wel toelaatbaar. Uit inventarissen en maatschetsen van galeien uit de Renaissance weten we dat een lengteverschil van 1/6 à 1/7 van de lengte van de riem het maximum is dat werd getolereerd, en we hebben geen enkele reden aan te nemen dat dit in de Oudheid niet in acht werd genomen: het technisch probleem was identiek. Het was zeker mogelijk riemen met een dergelijk lengteverschil toe te passen bij een schip dat werd geroeid volgens het drie- of vier-rijen arrangement van Tilley. Een bezwaar tegen dit voorstel is wel dat we niet weten of het ooit werkelijk is toegepast, want het sluit niet aan bij enige bekende traditie, hetzij in de Middellandse Zee, hetzij elders.

Dat ligt anders bij een alternatieve mogelijkheid waarbij de buitenroeiers niet haalden maar "streken', dat wil zeggen dat ze tijdens de arbeidsslag duwden tegen de riem in plaats van er aan te trekken. Als dat zo was, waren ze niet alleen met het gezicht naar de voorsteven gericht, maar ze stonden ook in plaats van dat ze zaten, zoals strijkende roeiers over de gehele wereld dat doen. Alleen op die manier kan men bij deze wijze van roeien een goed gebruik maken van de beenspieren.

Deze veronderstelling zou ook verklaren waarom er in het schip naast de verzonken loopgang twee hoge corridors waren voorzien: daarin stonden de strijkende buitenroeiers. Voor deze was een langsscheepse ruimte van ongeveer 60 centimeter voldoende om te staan en het was dus niet noodzakelijk het interscalmium te vergroten bij dit arrangement.

De combinatie van zittende halende en staande strijkende roeiers op hetzelfde vaartuig is uit de Middellandse Zee vanouds bekend: bijvoorbeeld werden de "dgaisha's' van Malta op deze wijze geroeid. Dit alternatieve voorstel sluit dus goed aan bij de traditie, en ook bij de vormgeving van het schip, en het verdient daarom de voorkeur. Het is in bijgaande figuur schematisch weergegeven. Een detail is dat de gangen boven de hoofden van de staande roeiers opzij waarschijnlijk open waren. Dit was een voorziening die licht en lucht in het inwendige van het schip gebracht zou hebben, terwijl toch een behoorlijke bescherming van de roeiers gewaarborgd was. Deze interpretatie is gebaseerd op richels op de sokkel die de boven- en onderranden van deze openingen markeren.

An educated guess

We hebben zonder twijfel geluk gehad dat de beeldhouwer blijkbaar een getrouwe kopie op 5/8 van de ware grootte maakte van een werkelijk schip. Is het, nu onze benaderingswijze ons zover gebracht heeft, soms mogelijk vast te stellen wat voor schip dit was, en welke zeeslag hier herdacht werd? In ieder geval is een antwoord op die vraag niet met zekerheid te geven, daarvoor blijft onze kennis van de scheepstypologie van omstreeks -200 en ook die van zeeslagen uit die tijd te fragmentarisch. Daarom is het volgende niet meer dan een "educated guess', een veronderstelling die door de schaarse feiten die we kennen aardig lijkt te worden bevestigd. Maar eerst moet het kader van die kennis worden geschetst.

Het voornaamste wapen van een oorlogsschip uit die tijd was zonder twijfel de met brons beklede ram voor aan de steven, waarmee men trachtte vijandelijke vaartuigen tot zinken te brengen. Op het dek van het schip stonden bovendien zeesoldaten die de vijand bestookten met spiesen, pijlen en stenen, of die probeerden het vijandelijke schip te enteren. Een overdekt schip werd door de Grieken kataphract genoemd, een zonder dek aphract. De term kataphract schijnt alleen te zijn gebruikt als het dek zich over de volle breedte van het schip uitstrekte. Het is daarom niet waarschijnlijk dat het schip van de sokkel als een kataphract werd beschouwd, hoewel het ook niet een aphract was. Er waren inderdaad ook scheepstypen die kennelijk buiten deze indeling vielen.

Een ander onderscheid werd gemaakt naar het aantal roeiers per interscalmium. In de naamsaanduiding werd feitelijk het aantal riemen per interscalmium genoemd; oorspronkelijk, toen er niet meer dan één man aan elke riem trok, kwam dat op hetzelfde neer. Later, na ongeveer -400, liet men meerdere mannen aan een riem halen, maar de naamsaanduiding bleef alsof elke man een riem hanteerde. Een quinquereme (Latijn) of penteres (Grieks) was dus niet een vaartuig met vijf riemen per interscalmium, maar had waarschijnlijk meestal twee riemen met twee of drie man op elke riem. In de periode waar wij het over hebben, was een groot oorlogsschip de dekeres, tien man per interscalmium. Ons schip was als bireme of dieres een van de kleinere en er is reden tot verwondering dat men het uitkoos als model voor de sokkel.

De buitengewoon scherp naar de steven toelopende vorm van de romp suggereert dat het misschien om een lembus (Lat.) of lembos (Gr.) zou kunnen gaan, een scheepje waarvoor dit karakteristiek was. De etymologie van het woord gaat terug op een woord dat "scherp van de snede' betekende, hetzelfde waar ons woord "lemmet' op teruggaat. Gewoonlijk was de lembus maar klein, maar volgens Livius (XXIV.40.2) waren de 120 lembi waarmee de Macedonische koning Philippus V in -198 in Illyrië - het huidige Albanië - een veldtocht ondersteunde, van het bireme type. Dit lijkt des te waarschijnlijker omdat hij volgens Polybius (V.109) veel eerder, in -215, door Illyrische scheepstimmerlieden (die hij als de beste beschouwde), daar een vloot had laten bouwen van 100 lembi die zeewaardig genoeg bleken om daarmee om kaap Malea naar Griekenland te varen.

Tussen deze twee data, in -201, leverde hij met zijn vloot slag tegen de verenigde vloten van Rhodos, Pergamon en Byzantium bij het eiland Chios. Hij beschikte, behalve over 53 schepen die als kataphract werden gekarakteriseerd, over 150 lembi en pristeis. Dit laatste scheepstype was blijkbaar naar de zaagvis vernoemd, maar is verder geheel onbekend, en de lembi zullen van hetzelfde type zijn geweest dat hij in -215 en -198 liet bouwen. Dit scheepstype werd blijkbaar niet veel gebruikt in de Griekse wereld, want de tegenstanders van Philippus beschikten weliswaar over 65 kataphracten en over 12 aphracten van verschillende categorieën, maar lembi worden in het uitvoerige verslag van Polybius (XVI.2-9) niet genoemd in de vloot der verbondenen.

Bloedige zeeslag

In het algemeen trachtte Polybius als geschiedschrijver zo objectief mogelijk te zijn, maar voor de beschrijving van deze bloedige zeeslag schijnt hij alleen over Rhodische bronnen te hebben beschikt. De daden der Rhodiërs worden in veel meer detail beschreven dan die der anderen en de uitkomst van de slag wordt als een Rhodische overwinning voorgesteld. Dit oordeel is overgenomen in een aantal moderne geschiedwerken over deze periode, ofschoon historische onderzoekers zoals Walbank (1957-'79) dit niet bevestigen en hier òf een onbesliste slag in zien, òf een overwinning voor Philippus.

Ondanks de pro-Rhodische toonzetting van het verslag van Polybius, is wat hij schrijft over de belangrijke rol van Philippus' lembi op zijn minst merkwaardig. ""Hadden de Macedoniërs hun lembi niet tussen hun kataphracten verspreid, dan zou de slag snel en gemakkelijk zijn beslist. Zoals het nu verliep, hinderden ze op alle mogelijke manieren de acties van de Rhodische schepen. Toen de oorspronkelijke slagorde van deze na de eerste aanval verloren was gegaan bevonden ze zich in grote wanorde, zodat ze nòch de schepen van de vijand konden aanvallen, nòch konden wenden. Hun gebruikelijke tactiek, waar ze in uitblonken, konden ze daardoor niet toepassen, omdat de lembi hun riemen in de weg zaten bij het roeien, of omdat ze het voor- of achterschip aanvielen, waardoor zowel de roergangers als ook de roeiers hun taak niet goed konden uitvoeren''.

Dit citaat bevestigt dat er hard gevochten is tijdens deze zeeslag. Philippus verloor er ongeveer de helft van zijn schepen, waaronder 72 lembi. Volgens de pro-Rhodische bronnen van Polybius zouden de verliezen van de verbondenen aanzienlijk kleiner zijn geweest, maar hier is enig wantrouwen wel op zijn plaats. Hoe ook de tactische uitkomst van dit treffen moet worden beschouwd, de daarop volgende gebeurtenissen maken duidelijk dat Philippus het initiatief in het geheel niet verloren had en dat uit strategisch oogpunt de slag bij Chios voor hem geen nederlaag kan zijn geweest. Na deze slag veroverde hij de stad Pergamon en verwoestte het omringend gebied. Pergamon en Rhodos deden daarop een beroep op de Romeinse senaat om in te grijpen; dit resulteerde in de tweede Macedonische oorlog, die door de Romeinen in -200 werd verklaard. Dit alles zou niet nodig zijn geweest als Philippus werkelijk de slag bij Chios verloren had.

Het ligt daarom voor de hand te denken dat Philippus deze slag als een belangrijke, maar duur bevochten zege beschouwde, en dat hij meende dat de lembi biremes - een scheepstype waarvan hij de promotor was - daarin een beslissende rol hadden gespeeld. Het is dan ook geen wonder dat hij er voor zorgde dat er in zijn vloot in -198 weer 120 zulke lembi aanwezig waren. Het eiland Samothrake bevond zich in de periode van -204 tot -197 in de Macedonische invloedssfeer. Tegen deze achtergrond wordt het begrijpelijk en geloofwaardig - met meer zekerheid kan dit nu eenmaal niet gezegd worden - dat Philippus degeen zou zijn geweest die na de slag bij Chios in het heiligdom van Samothrake een beeld liet oprichten waar men Nike, de godin die de overwinning symboliseerde, zag neerdalen op het voorschip van een lembus van het bireme type.

    • A. Wegener Sleeswyk