Onderzoek naar "vals' proces verbaal douane

AMSTERDAM, 22 OKT. De rijksrecherche gaat onderzoeken of de Amsterdamse douanedienst zich schuldig heeft gemaakt aan het opstellen van een vals proces verbaal. Dat heeft het openbaar ministerie in Amsterdam vandaag bevestigd.

De belastingdienst, waar de douane onder ressorteert, heeft om het onderzoek verzocht naar aanleiding van de beschuldiging van twee douaniers dat twee jaar geleden een vals proces verbaal is opgemaakt. Daarin verstrekte een anonieme informant, "D 20', inlichtingen over een drugtransport. Op grond van deze informatie werden vorig jaar de FIOD en de politie ingeschakeld. Een aantal mensen is wegens handel in hasj veroordeeld.

Een van hen is de 33-jarige J.P.B., die samen met anderen ruim 55.000 kilo hasj met een vrachtschip vanuit Canada naar Nederland zou hebben gebracht. B. werd hiervoor tot 3,5 jaar cel en een boete van 100.000 gulden veroordeeld. Twee douaniers hebben echter bij de advocaat van B., mr. P.H. Doedens, verklaard dat het hoofd van de afdeling surveillance van de douanepost Amsterdam in januari 1991 "informant D20' heeft gecreëerd.

Volgens de twee douaniers kreeg de douane begin 1991 argwaan jegens de opvarenden van het in Amsterdam afgemeerde vrachtschip, de Coral Sea 2. “Op een gegeven moment”, aldus een van de douanebeambten in een aan Doedens verstrekte schriftelijke verklaring “wisten we dat één van de figuren die we in de gaten hielden aan de balie van een motel een tas in bewaring had gegeven.” Daarin bleek een groot geldbedrag te zitten. Deze vondst alleen was echter onvoldoende om de politie in te schakelen. Daarom werd een "informant' verzonnen.

In het door het hoofd van de douanepost, P.Z., opgestelde proces verbaal staat dat door “een informant welke al geruime tijd door de afdeling info wordt gerund en alleen bij deze afdeling bekend is onder nummer D20. In het verleden (..) diverse malen informatie (is) aangedragen welke zeer werkbaar bleek”. Met deze informatie werden FIOD en politie ingeschakeld.

Doedens meent dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten zijn nu de opsporing en vervolging op oneigenlijke gronden werden begonnen. De verdachte zou vrijgesproken moeten worden op grond van onrechtmatig verkregen bewijs. Doedens wil ook dat de hoofdofficier een vervolging instelt tegen het douaneteam in verband met valsheid in geschrifte.