Machteloos pragmatisme en de macht der vrijheid

Evenals een tweetal jaren geleden wierp J.W. Oerlemans onlangs met een essay ("Om de macht van de vrijheid', NRC Handelsblad, 3 oktober 1992) een democratische knuppel in het partij-politieke hoenderhok. Het artikel zal daar waarschijnlijk niet direct doel treffen, maar zet in de arena's van het politieke bedrijf hopelijk wel aan tot nadenken. Hij gaf een scherp aangezette schets van de beroepspolitici in "Den Haag' die hij afschilderde als een aparte klasse, wier macht op politieke partijen is gebaseerd. De verankering van deze partijen in de bevolking is uiterst zwak maar zij hebben, volgens Oerlemans, desondanks een ijzeren greep op de politiek, niet in de laatste plaats omdat politieke carrières via hen verlopen. Kenmerkend voor deze politieke klasse achtte Oerlemans haar vaak cynische pragmatisme dat niet zelden tot ondemocratische uitlatingen en maatregelingen zou leiden. De democratische vrijheidsrechten van ons burgers zouden ernstig in gevaar zijn.

Veel is herkenbaar in wat Oerlemans beschrijft. Ik moest denken aan een kort onderhoud dat ik met één van onze zogeheten bewindslieden tijdens een receptie had. Ik verdedigde de stelling dat de burgers minder van de staat afhankelijk moesten worden, meer greep op hun maatschappelijke bestaan moesten krijgen. Dat, zo voegde ik er aan toe, is eerst echt Sociale Vernieuwing. “Ach, hou toch op”, was de korzelige reactie. “Het volk weet helemaal niet wat het wil.” Voor het eerst in mijn leven kon ik navoelen wat de citoyens in de Franse Revolutie bewogen had. Een machteloze boosheid maakte zich van mij meester. Deze boosheid ligt ook ten grondslag aan het essay van Oerlemans. Het gaat inderdaad (weer) om de macht van de vrijheid.

Toch vraag ik me bij het lezen van dit fraaie essay af of we de macht van de beroepspolitici en de partijen niet schromelijk overschatten. Wat Oerlemans ziet als door anti-intellectueel pragmatisme ingegeven machtswellust, kan evengoed worden opgevat als radeloosheid en onmacht. Dat maakt de situatie natuurlijk des te erger. Hij schrijft ondermeer over “elkaar kruisende proefplannetjes” die de burgers neurotiseren, over “even pragmatische als roofzuchtige plannen met bepaalde pensioenfondsen”, over “een permanente onrust veroorzaakt over belastingen, accijnzen, premies, heffingen, toeslagen, kortingen, boetes en schulden”. Mij bekruipt in toenemende mate het gevoel dat al deze en andere door de politici over ons uitgestorte ellende niet uit cynisch machiavellisme voortkomt - afgezien van een enkele calculerende boef die in een democratisch bestel altijd wel in het centrum van de macht weet door te dringen en zijn positie daar voor kortere of langere tijd weet te handhaven.

Veeleer is ze, ben ik bang, uit radeloosheid en onmacht geboren. De financiële, economische en maatschappelijke problemen zijn van een onvoorstelbare nauwelijks te beheersen complexiteit, nauw verweven met internationale eveneens nauwelijks te beheersen structuren en processen. Ze zijn bovendien van een voorheen ongekende omvang. Is het dan een wonder dat men vlucht in de functionele rationaliteit, in de vermeende zekerheid van cijfers en modellen, nauwkeurig berekend tot op de tienden van procenten, in een geestdodend pragmatisme, in een afschuiven of verleggen van abstract geworden verantwoordelijkheden, in een calculerend bewaken van de eigen macht, in een gedachteloze overproduktie van beleid?

Oerlemans meent dat de professionele politici in kabinet en parlement de teugels stevig in handen hebben en de democratische vrijheidsrechten met willekeur geweld aandoen. Ik ben somberder gestemd, want ik interpreteer hun optreden, hun uitspraken en hun gedrag, eerder als uitingen van onmacht - onmacht om de problemen adequaat te lijf te gaan. Overigens, zelfs als bewindslieden, zoals in het kabinet Hirsch Ballin en Ritzen en in de Tweede Kamer Brinkman en Bolkestein, pogen voorbij het één-dimensionele pragmatisme een inhoudelijke visie te formuleren en in het publieke debat te sluizen, stuiten hun ideeën op muren van beton, niet alleen in "Den Haag', vooral ook in de dag- en weekbladen. Deze worden daarin gesteund door columns schrijvende academici. Ook Oerlemans interpreteert het als een cynisch moralisme van potentiële potentaten.

Wat opvalt, is dat Oerlemans de bureaucratie vrijwel buiten beschouwing heeft gelaten. Niet alleen burgers, vooral ook de politici zitten in haar “ijzeren kooi” (Max Weber) gevangen. In een moderne samenleving dicteert de bureaucratie niet alleen de formele, inhoudsloze, per definitie "pragmatische' procedures, maar beheert en stuurt zij vooral ook de informatie- en communicatiestromen. Wie deze bureaucratie in handen heeft, heeft het hart van de macht in handen en dat zijn dus niet de politici, doch de top-ambtenaren die, als ze gezond blijven, diverse cohorten van politici "overleven'. Naar het model van de private sector afficheren zij zich steeds meer als managers en dat zijn ze in vele gevallen ook.

In alle grote en dus gebureaucratiseerde organisaties, of het nou de overheid, een multi-national of een omvangrijke universiteit is, ontstaat de spanning, het latente conflict tussen de managers en de professionals als representanten van twee verschillende culturen. Als het er echt op aan komt, leggen de laatsten het loodje. De verleiding is groot om dan ook maar te bureaucratiseren, om te laten zien dat men zelf ook best een manager kan zijn: pragmatisch, no-nonsense, formalistisch, visieloos en pralend met dorre dossierkennis. Dat geldt ook voor de politieke professionals, zeker gedurende het afgelopen decennium. Zij hebben zich daarmee uitgeleverd aan de abstracte macht van de bureaucratie.

Politici vormen inderdaad een belangengroep, zoals de medici in een ziekenhuis of de professoren op een universiteit. Maar dan niet als een klasse in de sociologische betekenis van dit woord, namelijk als één van twee of meer horizontale, sociaal-economische lagen. De machtsongelijkheid ligt in toenemende mate niet meer tussen medici en patiënten, professoren en studenten, politici en burgers, doch tussen deze professionals en de hen omringende managers. Ze hebben ten opzichte van de managers meer iets weg van een wat machteloze stand die worstelt met de definitie van de eigen cultuur, de eigen waarden, normen, de eigen moraliteit ook.

Wat te doen? Om te beginnen niet de macht van de politici en de onmacht van de burgers overschatten. Vervolgens moet er niet alleen in de overheden - het parlement, het kabinet, de gemeenteraden, de B en W's, de Provinciale Staten - en in de politieke partijen, maar ook in de profit en non-profit organisaties worden gewaakt voor een naïeve en gedachteloze aanpassing aan de "wetten' van de ijzeren kooi en de managers die daarin de dompteurs zijn. Niet alleen door “een bevlogen onderzoeksjournalistiek”, waar Oerlemans aan het slot van zijn essay wat eenzijdig zijn kaarten op zet, maar vooral ook door kunstenaars, academici en politici moet voortdurend en bewust worden gezocht naar substantiële rationaliteit, naar inhoudelijke visies en op waarden en normen gefundeerde strategieën, naar cliché's en paradigma's doorbrekende ideeën.

In dit licht is de snel voortschrijdende ontwaarding van de universiteit dan ook veel ernstiger en gevaarlijker dan het door Oerlemans aan de kaak gestelde pragmatisme van de politiek. We moeten als academici de hand in eigen boezem steken en constateren dat de meesten onzer nogal gedachteloos hebben meegedaan aan de "managerial revolution' en thans meer weghebben van "organization (wo)men' dan van intellectuelen.

En toch, ondanks alles hebben we een relatief goed stelsel van basis, voortgezet en hoger onderwijs. Ook de kunsten in al hun vertakkingen nemen in onze cultuur een invloedrijke positie in. Het kan niet waar zijn dat we met elkaar, burgers en politici, niet in staat zouden zijn het tij van cynische macht en abstract pragmatisme te keren. Het zou onzinnig en ondemocratisch zijn voor de realisering van deze taak op de overheid en haar beroepspolitici te gaan zitten wachten. In tegendeel, zij hebben, zo lijkt me, onze hulp nodig om uit de ijzeren kooi te breken, waarin ze al geruime tijd zitten opgesloten. Het initiatief is aan ons en dit initiatief is toch de kern van onze burgerlijke, democratische vrijheid?

    • A.C. Zijderveld