Kleuters moeten nu ook wat kunnen

Jonge kinderen mogen best meer uit het boekje leren, vindt de Onderwijsinspectie. Veel kleuterleidsters zijn het daar niet mee eens. Spelen moet, ook op de basisschool, vindt de "Werkgroep Kritische Kleuterleidsters'.

Op een kleed in de klas zit Jeroentje. Hij heeft een blok uit de kast gehaald waarin allerlei maten cilinders horen en hij is bezig de juiste cilinder in het juiste gat te passen. Tot het hele blok vol is, dan haalt hij het weer leeg en begint opnieuw. Niet een of twee keer maar wel tien keer.

Jeroentje is vijf jaar en zijn ouders vinden het prima dat zijn voornaamste bezigheid vandaag de studie van het cilinderblok is. Als hij maar vriendjes heeft en goed in de klas past. Dat zijn de zaken waar ze naar vragen op ouderavonden of tijdens het spreekuur op school.

Als hij in de middenbouw komt, zes, zeven en acht jaar wordt, dan zijn zijn ouders al meer benieuwd naar wat hij "kan': kan hij al lezen, kan hij al wat rekenen. En zit hij in de bovenbouw dan is er plots de zorg of Jeroentje wel over gaat. De onderbouw is, vinden de ouders van Jeroentje, spek en bonen. Menens wordt het pas op de lagere school.

Het samengaan van beide schoolsoorten in de basisschool in 1985 had die houding van de opvoeders moeten veranderen. Voor kleuters zou de overgang naar de "grote school' minder groot moeten zijn geworden. In de Wet op het Basisonderwijs (1985) heet het: ""Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.'' Op school zit je om te leren en ook al ben je pas vier, je doet niet voor spek en bonen mee.

Veel kleuterleidsters merken tot nog toe weinig van de heilzame werking van de basisschool. Dit voorjaar verscheen het boek Kijk op kleuters en hun leerkrachten, een klaagzang van kleuterleidsters over de fusie in het basisonderwijs. ""Vaak verlang ik terug naar de kleuterschool'', zegt Riet, een kleuterleidster in het boekje. Een terugkerende klacht is dat de kleuterleidsters niet serieus werden genomen door hun collega's van de lagere school en evenmin door de overheid - getuige bijvoorbeeld het feit dat er ten tijde van de fusie wel cursussen waren om kleuterleidsters voor te bereiden op een taak in de midden- of bovenbouw, maar geen cursussen die de onderwijzers van de lagere school leerden omgaan met kleuters.

Spelend leren

De lagere school heeft, mede daardoor, een groter stempel gedrukt op de basisschool dan de kleuterafdeling. Het resultaat is dat de integratie vooral heeft geleid tot het invoeren van de lagere-schoolmethodes in de kleuterklas. In een vorige maand uitgebracht rapport, Goed onderwijs aan jonge kinderen, maakt de Onderwijsinspectie de balans op van zeven jaar integratie van kleuter- en lager onderwijs. Waar mogelijk, concludeerde de inspectie, moeten jonge kinderen "spelend leren', waar nodig moeten ze meer "doelgericht' les krijgen. Veel kleuterleidsters zijn van mening dat de inspectie aldus haar zegen geeft aan de verschoolsing van de onderbouw. De inspectie zelf meent, op grond van schoolbezoeken, dat ""verschoolsing niet het beeld bepaalt in het onderwijs aan het jonge kind''.

Maar op de basisschool, zo formuleert kleuterleidster Erna het in Kijk op kleuters, bestaat wel degelijk de ongeduldige opvatting dat ""de kleuter zo snel mogelijk lagere schoolkind moet worden''. En dus worden methoden die uitdrukkelijk voorbereiden op lesmethoden van de lagere school, zoals het veelgebruikte "Veilig leren lezen' (met als eerste woordjes boom-roos-vis), in de kleuterschool geïntroduceerd.

Maar kinderen tot een jaar of acht moet je niet aan een tafeltje zetten met een schriftje, vindt M. Wiederholdt. Zij is lid van de "Werkgroep Kritische Kleuterleidsters' en directrice van een Jenaplanbasisschool in Wijk bij Duurstede. Spelend leren vinden de kritische kleuterleidsters de beste manier om jonge kinderen te laten werken. Die gebruiken immers vooral hun zintuigen en motoriek om zich te ontwikkelen. Ze willen dingen betasten, horen, proeven. Ze zijn handelend en ontdekkend, aldus Wiederholdt.

Zij presenteert haar visie op de zogenoemde "schakeldagen' die dit najaar op verschillende plaatsen in het land worden gehouden. De schakeldagen worden jaarlijks georganiseerd rond een thema over het jonge kind. Een van de kamers van het labyrintische congresgebouw in Veldhoven is ingericht met onderdelen uit de ideale kleuterklas van de Kritische Kleuterleidsters. Er zijn een taal-, speel- en themahoek (over trouwen). Op een tafeltje liggen schelpen en steentjes, aan de muur hangt een kleed met lapjes textiel. Op een plakkaat staat: "Spelen is noodzaak, ook op de basisschool'.

Wiederholdt stemt in met het ideaal van de Wet - een ononderbroken ontwikkeling voor het jonge kind - maar dan wel met "spelend leren' en niet met abstracte leerstof in de onderbouw, waarmee de inspectie volgens haar teveel concessies doet aan het klassikale systeem dat de meeste basisscholen hanteren vanaf groep drie (vanaf zes jaar).

In die opvatting staat ze niet alleen. F. Janssen-Vos van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, die veel heeft gepubliceerd over het jonge kind en ook door de Onderwijsinspectie is geraadpleegd voor het rapport, stelt het probleem algemeen: ""Enerzijds is er het gevoel dat kleuters mogen spelen, anderzijds wordt de prestatiedruk steeds groter. Ouders willen nu dat kleuters ook wat kunnen.'' Janssen-Vos is een prominente voorvechtster van de opvatting dat jonge kinderen vooral "ontwikkelingsgericht' moeten leren. Dat wil zeggen: met een grote mate van zelfstandigheid, zodat elk kind zijn eigen niveau kan aangeven. Ook zij onderstreept de handelende instelling van het jonge kind en meent dat spel daarin een essentiële rol vervult.

Lessen opfleuren

De reacties op de presentatie van de Kritische Kleuterleidsters tijdens de "schakeldag' leren dat een pleidooi voor spelend leren niet aan dovemansoren is gericht. Kleuterleidsters van traditionele basisscholen die het lokaal van de Kritische Kleuterleidsters in ogenschouw namen, zijn dolenthousiast. ""Wat zijn wij saai op onze school'', verzucht een van hen. Ze voegt eraan toe dat ze niet weet waar te beginnen met het opfleuren van haar lessen.

Een andere lerares uit de middenbouw komt met haar dilemma: ""Als ik in groep drie (kinderen van zes of zeven jaar) doorga met spelend leren, heb ik het gevoel dat ik me moet verantwoorden - tegenover ouders en andere leerkrachten.'' Spelend leren wordt nog altijd niet opgevat als serieuze manier om een kind te ontwikkelen. ""Was het maar zo'', zegt Wiederholdt.

Toch houdt het spelend leren ook vroegtijdig op binnen haar eigen school, die daarmee traditioneler blijft dan Wiederholdt lief is: ""Ook bij ons is er een grens tussen groep twee en drie, tussen kleuters en oudere kinderen. In groep drie hanteren wij een rekenmethode die klassikaal wordt onderwezen.'' Dat betekent dat de kinderen aan het eind van groep twee noodgedwongen op hetzelfde niveau moeten zijn aangeland. Zij houdt een pleidooi voor de "glijdende schaal', waarop spelend leren op een voor ieder kind geëigend moment overgaat in abstract leren.

En dan kan Jeroentje, als hij over zeven jaar Jeroen is geworden, met een gerust hart de basisschool verlaten en overgaan naar de middelbare school. Daar is het voorgoed gedaan met spelend leren.

    • Bas Blokker