Julian Bream wat langzaam in de verjaardagsstemming

Concert: Julian Bream, luit. Programma: luitmuziek van Da Milano, Besard, Byrd, Johnson, Holborne, Molinaro en Dowland. Gehoord 21/10 Kleine Zaal Concertgebouw te Amsterdam, volgende concerten op 11/12 en 22/2 1993 aldaar.

Toen de Engelse gitarist Julian Bream in 1950 in Londen debuteerde, was het beluisteren van een gitaarrecital in de concertzaal een volkomen nieuwe ervaring voor het publiek. Bream had zijn instrument op zijn eigen houtje leren bespelen, want op de conservatoria werd in die dagen nog geen gitaarles gegeven. Dankzij Bream kwam daar spoedig verandering in, zodat de eigenzinnige gitarist nu internationaal geëerd wordt als de nestor van de tokkelinstrumenten. Ter ere van zijn zestigste verjaardag op 15 juli 1993, geeft Bream drie recitals in het Amsterdamse Concertgebouw waarin zowel de luitmuziek uit de renaissance als het barokke, klassieke en twintigste eeuwse repertoire voor de gitaar aan bod zullen komen.

Gisteravond opende Bream zijn jubileumserie op de renaissance-luit, een instrument waaraan hij in de zestiger jaren net zo verknocht raakte als aan de "luit voor het plebs", de gitaar. Ondanks zijn wereldwijde reputatie als een extremistisch en grillig muzikant, maakte Bream aan het begin van zijn recital een nogal ongeïnspireerde indruk. Wist 'il Divino" Francesco da Milano zijn toehoorders eens 'van hun zinnen te beroven" met zijn fantasia's op de luit, Bream vertolkte de stukken van deze Italiaanse componist alsof het suffe slaapliedjes betrof. Al wat opwindender klonken daarna Breams milde interpretaties van vijf dansen van Jean-Baptiste Besard en vier voor luit getranscribeerde klavierstukken van William Byrd, waarbij de kleurloze en slordige bezonkenheid af en toe werd doorbroken met plotselinge opflikkeringen van emotionele expressiviteit.

Werkelijk op dreef raakte Bream echter pas met de ingenieuze luitmuziek van John Johnson. Enkele pijnlijke missers buiten beschouwing gelaten, doemde hier als vanouds de sprankelende, fantasierijke, originele en ontroerende Bream door de mist op. Op zulke geïnspireerde momenten weerspiegelt iedere noot zich in de intense gelaatsuitdrukking van de luitist, wiens gebogen hoofd bij tijd en wijle wel haast in zijn instrument lijkt weg te willen kruipen. Ook de stukken van Anthony Holborne en Simone Molinaro kregen vervolgens een levendige, zij het nogal onevenwichtige uitvoering. Duidelijk bedoeld als hoogtepunt van zijn recital, speelde Bream tot besluit zes composities van de geniale John Dowland uit het hoofd. Ze kwamen over als een niet-feilloze maar wel indrukwekkende samenvatting van Breams beste kwaliteiten: zijn vermogen om de luit emotioneel en sonor te laten 'zingen", zijn opmerkelijke muzikale verbeeldingskracht en zijn volstrekt natuurlijke virtuositeit.

    • Wenneke Savenije