IRAANSE REGISSEUR BAHRAM BEIZAI TOONT MENSELIJK ONGELUK VOL HARTSTOCHT; Achteloos krijst zij naar de roofvogels

Bashu. Regie: Bahram Beizai. Met: Sussan Taslimi, Adnan Afravian. Amsterdam, Desmet; Nijmegen, Cinemariënburg; Utrecht, 't Hoogt.

Iran en filmkunst - ze hebben weinig met elkaar te maken. De Iraniër die gezegend werd met cinematografisch talent kan dat maar beter verbergen, tenzij hij beschikt over stalen zenuwen en een onschokbaar zelfvertrouwen. Hoe verdraagt iemand het anders om zich te moeten onderwerpen aan de arbitraire beperkingen van de officiële Iraanse censuur. De enige andere mogelijkheid lijkt emigratie. Zo werkt Amir Naderi, maker van het ook in de Nederlandse Filmhuizen succesvolle The Runner (1985), inmiddels in de VS. Een enkeling blijft echter werken in zijn vaderland.

Bahram Beizai (1938) is zo iemand. Net als Naderi's The Runner kwam zijn film Bashu tot stand als jeugdfilm, onder de verantwoordelijkheid van het "Instituut voor de Intellectuele Ontwikkeling van Kinderen en Jonge Volwassenen'. Beizai, zijn cast en zijn crew werden onvoorstelbaar zwaar belaagd door de censuur, en uit het feit dat Bashu wordt uitgebracht met twee jaartallen (1986/1989) mag worden opgemaakt dat de film jarenlang onvertoond bleef. Autoritaire regimes komen er echter meer en meer achter hoe handig de filmkunst zich laat gebruiken om het eigen geschonden imago in het Westen wat nieuwe glans te verlenen. Op die manier profiteerden de Chinese autoriteiten bijvoorbeeld van de faam van de door hen onverteerbaar subversief geachte kunstenaar Zhang Yimou, wiens films, ook al worden ze overal ter wereld gelauwerd, in China zelf tot voor heel kort beslist niet mocht worden vertoond. Precies zo besefte men zelfs in Iran dat Bashu geschikt kon zijn voor de export, om wereldwijd propaganda te maken voor de kwaliteit van de Iraanse cultuur. Infaam maar slim gezien. Want dat moet hier nu direct worden gezegd: Bashu is goud waard.

Bashu brengt vol hartstocht een aantal voor Iran typerende vormen van menselijk ongeluk te berde en laat ze glanzen in de gloed van tastend gevoel. Beizai begint zijn film met een bombardement - hij draaide tijdens de Iraanse oorlog met Irak (1980-1988). Hij concentreert zich op de doodsangst van zijn hoofdpersoon, de negenjarige jongen Bashu, maar haalt tegelijk uit naar de Iraanse Islam, die geweld en verderf brengt, geen spiritueel leven. De vader van de jongen stort biddend door de brandende vloer van zijn huis, de moeder wordt omhuld door een in vuur en vlam geraakte chador.

De jongen weet weg te komen uit het helse, verwoeste Zuid-Iran en komt in het welvarender, dorpse Noorden, waar de sfeer niet wordt bepaald door gegier van granaten maar door het suizen van de wind in de groene rijstvelden. Beizai vertelt over de angst voor een vreemdeling, zeker als hij een andere taal spreekt en een donkerder huidskleur heeft. Ook al gaat het om een kleine, geterroriseerde jongen, de meeste dorpelingen stuurden hem liever vandaag dan morgen weg.

Beizai vertelt verder, op een niet veroordelende, vol sympathie geamuseerde toon en gesteund door een eminent gehanteerde, steeds in dorp en dreven rondzoekende camera (van Firouze Malekzadeh). Hij heeft het over machtsverhoudingen op het platteland, over roddel, over onverdraagzaamheid, over moederschap, over burenhulp, over een plotseling tjokvolle, van nieuwsgierige visite uitpuilende kamer, over de moeizame positie van een vrouw wanneer haar echtgenoot ver weg reisde om elders hun kost te gaan verdienen.

Beizai verhaalt met Bashu voor alles over de macht van de liefde. Over liefde zonder doel of nut, over liefde die bestaat, verder niet. Het is niet de liefde die tussen minnaars schroeit, want Bashu is nog maar negen. Evenmin is het de band die moeder en zoon aaneensmeedt, want de vrouw Naë is de moeder van twee, door Beizai vertederend in beeld gebrachte peuters, maar niet van Bashu. Het is de liefde tussen twee verwante zielen, een onversneden gevoel dat niets en niemand zal kunnen slechten. Wanneer Bashu door Naë op haar lapje moestuin wordt aangetroffen, is hij een schichtig diertje en zij vangt hem zoals je bange beestjes vangt: in een val. Handig is ze daarin, want ook zij voelt zich vaak een dier. Achteloos krijst ze naar de roofvogels, blaft ze met de honden. En wordt haar akker bedreigd door een roofzuchtig wild zwijn dan verjaagt ze dat door te grommen als een wolf. Bashu is een soortgenoot en een soortgenoot schenk je warmte en onvoorwaardelijke genegenheid. In even hallucinerende als merkwaardig reële scènes "ziet' Bashu nu en dan zijn omgekomen moeder voorbijlopen, gemaskerd en gesluierd. De dode vrouw waakt over hem, en het spreekt vanzelf dat ook Naë rekening met haar houdt.

Behalve een jammerklacht over het oorlogsleed van burgers en hun kinderen, maakte Bahram Beizai met Bashu een ode aan de actrice Sussan Taslimi, die het verhaal voor deze film bedacht. Zij draagt de film alleen al door er te zijn. Haar personage voert de kippen en zij biedt een niet geaffecteerde, onvergetelijke dans, met een hoog zwierend gebogen arm en een soepele heup. Naë wast aan de rivier de haren van haar kinderen en de tranen schieten in je ogen. Of ze troont je mee naar de markt, waar Beizai haar toont, terwijl ze handelt, onderhandelt en soms even rust neemt met een snel kopje koffie. Minutenlang kijk je naar haar, in een statisch shot, ongemonteerd. Is het voorbij dan wil je smeken om meer: toe nou, nog 'e'en minuutje maar.

Sussan Taslimi week uit naar Zweden, in Iran was ze haar leven niet meer zeker, en cameraman Malekzadeh werkt nu als taxi-chauffeur in Australië. De Iraanse autoriteiten ontketenden tegen Beizai een lastercampagne waarvoor ze zonder genade de jongen misbruiken, die onder zijn regie zo meeslepend gestalte gaf aan Bashu. Iran en filmkunst - ze hebben niets meer met elkaar te maken. Maar zolang er desondanks een film als Bashu tot stand kan komen, weten we dat er nog altijd een ander Iran snakt om gehoord en gezien te worden.