"Inspectie doet alsof vliegen hier is uitgevonden'; "Meeste ondernemers durven niets te zeggen uit angst voor RLD'

ROTTERDAM, 22 OKT. Kleine luchtvaartbedrijven in Nederland hebben het nooit veel op gehad met de Rijksluchtvaartdienst (RLD), de dienst van het ministerie van verkeer en waterstaat die onder meer de veiligheid op en om de Nederlandse luchthavens controleert.

Vijf jaar geleden culmineerde de onvrede met de RLD in de oprichting van een belangenvereniging voor ondernemingen uit de zogenoemde kleine luchtvaart: de Vereniging van Nederlandse Luchtvaart Ondernemingen (VNLO). De kleine luchtvaart wilde zich alleen nadrukkelijk positie kiezen ten opzichte van de "grote jongens', KLM, Martinair, Fokker. Ze stelde zich ook teweer tegen de klassieke verwevenheid tussen deze bedrijven en de RLD. “Hoe serieus nemen ze ons nou eigenlijk? De belangen van de RLD liggen duidelijk ergens anders”, constateert VNLO-voorzitter M. Duijvestijn met nauwelijks verholen verwijzing naar de innige relaties die er zouden bestaan tussen de RLD en de grote luchtvaartmaatschappijen.

De VNLO ging kort na haar oprichting in de aanval. Begin 1988 publiceerde de vereniging een vernietigend rapport over de RLD, met name over de Inspectiedienst, de afdeling van directeur ir. H.N. Wolleswinkel, die nu met het onderzoek naar de ramp met de El Al-Boeing in de Bijlmer is belast. De kleine luchtvaart liet haar frustratie de vrije loop.

Die onvrede was niet verrassend. Er bestaat immers altijd een natuurlijke spanning tussen het bedrijfsleven dat regels krijgt voorgeschreven, en de overheidsinstelling die op een strikte naleving toeziet. Maar de openlijke kritiek van de VNLO op de RLD kende een wel erg harde toonzetting.

In een acht pagina's tellend schotschrift uitte de vereniging “scherpe kritiek” op de wijze waarop de Directie Luchtvaartinspectie “op een niet langer aanvaardbare wijze met de belangen van de bedrijven omgaat”. Het optreden van de dienst werd als “een zeer directe bemoeienis met de bedrijfsvoering” gekapitteld als “consument-onvriendelijk, arrogant en onredelijk”. De inspectie zou “onvoldoende functioneren”. Als “opmerkelijk detail” werd aangevoerd (“een detail overigens dat door de leden als irritant wordt ervaren”) dat “de correspondentie in vaak onbegrijpelijke en gewichtige ambtelijke taal wordt gevoerd”.

De inspectie was “traag en onbereikbaar” en toonde “geen feeling met de praktijk”. De veiligheidsvoorschriften die de RLD hanteert leidden volgens de bedrijven uit de kleine luchtvaart tot oneerlijke concurrentie omdat de eisen per bedrijf verschillen. “Uit correspondentie van de afgelopen jaren blijkt duidelijk dat de RLD de verkeerde weg heeft gekozen en een per bedrijf verschillende interpretatie hanteert.”

Ook de intensieve bemoeienis van de RLD met de kleine luchtvaart moest het ontgelden. “Helemaal bont maakt de Directie Luchtvaartinspectie het wanneer in correspondentie opmerkingen worden gemaakt over de sfeer binnen de bedrijven, de arbeidsmotivatie en de financiële verantwoording.”

De VNLO zegt te spreken namens ruim veertig van de naar schatting vijftig ondernemingen in de kleine luchtvaart, waaronder vliegscholen, kleine vliegtuigmaatschappijen, luchtreclamebedrijven, taxi-operators en onderhoudsbedrijven. De omvang van de totale branche is moeilijk te achterhalen. De vereniging hield het in 1988 zèlf op totaal ruim vijftig bedrijven, met 600 à 700 man personeel en een geïnvesteerd vermogen van 200 à 300 miljoen gulden.

In de statuten van de vereniging staan de doelstellingen deftig geformuleerd: “De vereniging stelt zich ten doel de economische en sociale belangen van de aangesloten leden te bevorderen alsmede de bevordering van de samenwerking van aangesloten leden met name op het gebied van het voeren van onderhandelingen met en het adviseren van de overheid op het gebied van regel- c.q. wetgeving de luchtvaart betreffende.”

De taal van het schotschrift ligt dichter bij de leefwereld van ondernemers uit de kleine luchtvaart. Het krachtige woordgebruik verraadt de pen van de voorzitter, vliegtuighandelaar Duijvenstijn, één van de weinigen die echt openlijke kritiek durft te leveren op de RLD. “De meesten durven niets te zeggen. Ze zijn te afhankelijk van de RLD.”

Het schotschrift bleef niet zonder resultaat. De VNLO wist een gesprek af te dwingen met de toenmalige minister van verkeer. “We hebben met Smit-Kroes om de tafel gezeten om te kijken of we niet on speaking terms met de RLD konden komen. Dat is ons gelukt”, vertelt VNLO-bestuurslid Mastenbroek van "Luchtvaartbedrijf Mastenbroek' bij het vliegveld Seppe.

De VNLO heeft onlangs eens op een rijtje gezet wat er sinds het verschijnen van het rapport in 1988 zoal is verbeterd in de relatie met de RLD. Duijvestijn wil nog niet reageren op deze evaluatie omdat hij deze eerst aan de directeur-generaal van de RLD, mr. J.W. Weck, wil aanbieden. Duidelijk is wel dat een groot deel van de kritiek uit 1988 nog recht overeind staat - zoals de kritiek op Wolleswinkel en op het woud van regels en voorschriften.

Destijds beklaagde de vereniging zich bij voorbeeld over het verbod van de RLD op het gebruik van bepaalde radio-navigatie-apparatuur “die overal ter wereld wel is toegestaan”. “De RLD stelt eisen aan de uitrusting van vliegtuigen (bij voorbeeld versterkte voorrand van de vleugel bij Citation-vliegtuigen) die niets van doen hebben met vliegveiligheid, maar die Nederlandse bedrijven die met een dergelijk vliegtuig opereren in een moeilijke positie plaatsen.”

Anno 1992 “constateert de VNLO geen verbetering op dit punt”. Als kwalijk gevolg van onnodig en achterhaald geachte regelgeving geeft de vereniging het voorbeeld dat 20 procent van de in Nederland vliegende toestellen in het buitenland geregistreerd staat - waardoor de Nederlandse autoriteiten nog slechts minimale invloed op de veiligheidscontrole hebben. “Nederland heeft heel aparte regelgeving. Het lijkt wel alsof hier het vliegen is uitgevonden. Als je denkt dat je zo de veiligheid bevordert zit je fout”, constateert Duijvestijn.

Volgens hem is er sinds 1988 wel het een en ander verbeterd. Maar lang niet alles. Hij haalt instemmend een passage uit de laatste pagina van het schotschrift aan: “De organisatie van de Directie Luchtvaartinspectie verdient over de hele linie verbetering. Helaas moet de VNLO stellen dat zij weinig vertrouwen heeft in de bereidheid en bekwaamheid van de leiding van de Directie Luchtvaartinspectie. Het valt te overwegen de leiding te versterken, c.q. te vervangen.”

Nu vindt hij dat de inspectie over het algemeen nog steeds niet goed werkt. “Als je in het bedrijfsleven niet goed functioneert, moet de directie toch ook aftreden?”

    • Tom-Jan Meeus
    • Geert van Asbeck