Het geval mag hopeloos worden genoemd

In de nachtmerries van John Major moeten valutahandelaren en mijnwerkers elkaar verdringen. Tot twee keer toe binnen een tijdsverloop van enkele weken wankelde de Britse premier langs de rand van de politieke afgrond en tot twee keer toe kon hij zich slechts redden door zijn eigen politiek te grabbel te gooien. Met het noodgedwongen vertrek van het pond uit het Exchange Rate Mechanism werd het fudament weggeslagen onder het op aanpassing aan Europa en op inflatiebestrijding gerichte Britse economische beleid. De aanzienlijke beperking van het aantal voorgenomen mijnsluitingen betekende het verlies van Majors laatste restje geloofwaardigheid en van uitstel van de sanering van een bedrijfstak waaraan de bestaansreden al lang ontvallen was.

Regeren is een benul hebben van het politiek mogelijke op een bepaald moment. Daarin zijn de laatste Britse regeringen niet voorbeeldig geweest. Thatcher lanceerde haar "poll tax', een voor iedereen gelijke gemeentelijke aanslag, en werd onaangenaam verrast door het verzet van de bevolking. Haar verweer dat zij socialistische gemeentebesturen tot soberheid had willen dwingen, ging verloren in een algemene kreet van afschuw. De premier bleek zich te hebben vervreemd van volk en partij en van haar partners aan de Europese top. Haar laatste bijeenkomst met de Europese collega's in Rome bijna twee jaar geleden liep uit op een nederlaag die zich voortzette in haar gedwongen aftreden als premier.

Major mocht de scherven van de Britse Europa-politiek bijeenvegen en aanvankelijk had hij succes. Na de turbulentie rondom zijn voorgangster was hij een toonbeeld van rust en zelfbeheersing. De partij herstelde de eenheid, de kiezers gaven Major de voorkeur boven de socialist Kinnock, de Europese partners schonken hem hun vertrouwen. De Britten bleven voor de continentalen weliswaar een onberekenbaar gezelschap, maar als iemand een evenwicht kon vinden tussen het soms heftige Britse nationalisme en de noodzaak tot aansluiting bij Europa, moest Major dat wel zijn. In Maastricht eind vorig jaar mocht de Britse regeringsleider op een bijna onuitputtelijke goodwill rekenen. Het onderscheid met de Romeinse vergadering van oktober 1991 was veelbetekenend.

Nu ook Major op zo een korte termijn op de knieën is gebracht, wordt het tijd om wat dieper te graven. Is Groot-Brittannië wel toe aan integratie in Europa, beschikt het over de geestelijke spankracht, over de realiteitszin en over het economisch vermogen om de opdracht met kans van slagen uit te voeren? Zijn de misrekeningen van Thatcher en Major misschien terug te voeren op een onhoudbare spanning tussen wat verstandige politiek voorschrijft en wat de bevolking blijkt te kunnen verwerken? In zoverre de saneringspogingen van Thatcher (poll tax) en Major (mijnsluitingen) ook voorwaardenscheppend waren voor de vereiste toenadering tot Europa, draagt hun mislukking bij tot de algemene malaise in de verhouding tot het continent.

Thatcher poogde de Britse zwakheden te verbergen achter onverzoenlijkheid, Major stalde ze onbeschroomd uit op de conferentietafel. Beiden versaagden. Thatcher onthield de Europese partners de Britse werkelijkheid, Major trachtte voor de Britten te verbergen wat de consequenties waren van de bijeenkomst te Maastricht. Dat de partners de Britse optie om niet helemaal mee te doen als een tijdelijke concessie aan een collega in moeilijkheden zagen (in het Verenigd Koninkrijk stonden verkiezingen voor de deur), mocht en mag in Londen niet hardop worden toegegeven.

De Britten zitten opgescheept met een eeuwenoud meerderwaardigheidsgevoel. Volgens Linda Colley in Britons: Forging the Nation (Yale), besproken in London Review of Books, hebben de Britten hun nationaliteitsbesef in de achttiende eeuw verworven in hun oorlogen met Frankrijk. In de Britse wijze van zien waren de Fransen grillig, lui en alledaags, de Britten ondernemend, nijver en praktisch. Arme Britten achtten zich minder arm dan de kanslozen in Frankrijk, de gemiddelde Brit was ervan overtuigd over meer politieke en persoonlijke vrijheid te beschikken dan zijn Franse evenknie. De zevenjarige oorlog ging om de Amerikaanse bezittingen en verliep gunstig voor Brittannië, in de Napoleontische oorlogen vestigde het Verenigd Koninkrijk zijn supprematie in Europa en op de wereldzee. Het Empire bevestigde het Britse zelfbeeld.

Het is allemaal bekende kost en al vele malen verteld. Inbegrepen de teloorgang van alles waarop de Britten zo trots waren gedurende twee wereldoorlogen en een langdurige dekolonisatie. De mijlpalen in het historische landschap laten zich niet over het hoofd zien: de duikbootoorlog in 1917, Duinkerken en de Slag om Engeland in 1940, het debâcle in Suez van 1956. Desondanks traden de Britten in de Falklandoorlog op alsof er niets was veranderd. Thatcher ontleende er een haast anachronistische populariteit aan en het vermogen om in Brittannië zelf de dingen lange tijd volledig naar haar hand te zetten. Zij had een al bijna vergeten snaar doen trillen. Op wat kritische intellectuelen na was het Britse volk haar dankbaar voor haar onverwachte daadkracht.

Als het waar is dat de Fransen de Britten aan hun nationalisme hebben geholpen, valt de stelling te verdedigen dat de Argentijnen aan de continuïteit van dat gevoel hebben bijgedragen. Zonder de zege in de Falklandoorlog en haar verdragende echo's was de Britten de aanpassing aan de werkelijkheid en aan Europa wellicht wat makkelijker afgegaan. Nu dat niet zo heeft mogen zijn, hebben de Britten een probleem.

Economische tegenslag heeft meer dan één oorzaak. Maar de langdurige stagflatie waarmee opeenvolgende regeringen in Londen te kampen hebben gehad, de nieuwe recessie na de selectief gebleven bloei van de Thatcher-jaren, samen belichten zij een typisch Brits verschijnsel. Thatcher meende dat verschijnsel te hebben uitgebannen en zij beroemde zich erop dat de nieuwe welvaart zich uiteindelijk ook weer zou meedelen aan de troosteloze woestenijen van voorbije industriële en handelsactiviteit. Zij ging er prat op dat de oriëntatie op het continent haar goede uitwerking niet had gemist en dat een verjongd Koninkrijk in staat moest worden geacht de competitie aan te kunnen. Haar idee dat de markt haar werk moest doen en haar afkeer van centralistische constructies als een Europese Unie en een opgelegde Europese munt berustten op die overtuiging.

Maar inmiddels steekt de Engelse ziekte weer de kop op. De afgang van het pond bewijst dat de Britten de zwakkeren zijn. Het conflict met de mijnwerkers onderstreept dat de krachten van het verleden nog steeds, ondanks Thatchers furie tegen de bonden, onoverwinnelijk zijn. Een groeiende afkeer van het Europese experiment is het gevolg. De ziekte wordt toegeschreven aan de toegediende medicijn. Het geval mag hopeloos worden genoemd.