Cabaret uit nazi-kamp Theresienstadt herleeft

WENEN, 22 OKT. In de onder de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia gebouwde vestingstad Terezin (Theresienstadt), 60 kilometer ten noorden van Praag, richtten de nazi's begin 1942 een kamp in voor joodse ouden van dagen, oorlogsveteranen en prominenten. "Begunstigden' heetten die in het bruine jargon. Eerst kwamen er voornamelijk Tsjechen, later arriveerden transporten uit Berlijn, Wenen, Nederland, Denemarken, enzovoort. "Begunstiging' of niet, het was een doorgangskamp. Het overgrote deel van de gevangenen werd naar de vernietigingskampen in Polen doorgestuurd. Vijfentachtig procent van de in totaal 140.000 gevangenen kwamen om.

Toch had en heeft Theresienstadt de naam een elitekamp te zijn geweest, “waar het niet zo erg was”. Dat kwam omdat de Gestapo in dit kamp allerlei toeliet dat elders ondenkbaar was geweest. Er konden lezingen worden gehouden, er waren concerten, toneelstukken werden opgevoerd. Met koor en orkest werd Verdi's Requiem ingestudeerd, kinderen produceerden de kinderopera Brundibar. Doel van deze lankmoedigheid was om internationale pottekijkers een modelkamp te kunnen voorschotelen. Dit bereikte een hoogtepunt bij een bezoek in de zomer van 1944 van een commissie van het Rode Kruis, waarvoor de hele vesting eerst werd opgepoetst, een caféterras werd ingericht en overal toneelstukken en muziekwerken werden uitgevoerd.

Zelfs liet de Gestapo toe dat de gevangenen literaire cabarets hadden, waarin ongecensureerd het leven in het kamp van commentaar werd voorzien en het heimwee naar de wereld van voor de nazi-barbarij werd verwoord. Flitsen van deze cabaretuitvoeringen waren zelfs te zien in een voor een deel bewaard gebleven nazi-propagandafilm, die ooit door de Hessische Rundfunk is vertoond. (Bij die gelegenheid werden ook cabaretscènes uit het Nederlandse kamp Westerbork, die op film bewaard zijn gebleven, uitgezonden).

De Weense acteur van het Theater in der Josefstadt, Alexander Wächter, heeft nu van cabaretteksten uit Theresienstadt een programma gemaakt, dat in de dépendance van het Josefstadttheater, de Rabenhof, in Wenen te zien is. Jarenlang heeft Wächter, wiens niet-joodse oudoom in Theresienstadt is omgekomen omdat hij weigerde zijn joodse vrouw alleen daarheen te laten gaan, zich met het kamp en zijn ongekend vitale culturele leven beziggehouden. Hij bezocht overlevenden, verzamelde gegevens over het cabaret in het kamp, spoorde teksten en muziekpartituren op.

Maar zijn plan om daar nu, zo'n halve eeuw na de nazi-verschrikkingen, een eigentijdse cabaretavond van te maken, stuitte eerst op onbegrip en tegenwerking. Binnen het Theater in der Josefstadt, maar ook in het ministerie van onderwijs, kon men zich niet voorstellen dat het mogelijk zou zijn chansons en satires uit Terezin te brengen die niet de verkeerde indruk zouden wekken dat het leven er ondanks alles heel dragelijk was geweest. Alle overlevenden, de wereldberoemde psychiater Viktor Frankl en de componist Martin Roman vooraan, steunden daarentegen Wächters project.

Gelukkig, want het cabaretprogramma dat nu sinds een week in het Weense Rabenhoftheater te zien is, is informatief, genuanceerd, smaakvol en ontroerend. Tania Golden, Alexander Wächter en de pianist Sergei Dreznin koersen behendig tussen de klippen sentimentaliteit en verdringing door. Oostenrijk wordt daarbij niet gespaard. Dat tweederde van alle Oostenrijkse joden aan de holocaust ontkwamen, krijgt een niets verdoezelende verklaring: al voor de Anschluss in 1938 was het antisemitisme in Oostenrijk zo sterk dat veel joodse Oostenrijkers de tekenen des tijds begrepen en op tijd emigreerden. Het schamele pensioen van de weduwe van een voormalige gevangene uit Theresienstadt wordt afgezet tegen het vette weduwepensioen van de SS-kampcommandant. Zo zien Oostenrijkse "Wiedergutmachung' en "Vergangenheitsbewältigung' er uit, spot Wächter.

Maar de hoofdmoot van het programma zijn niet de verbindende teksten, maar de chansons en satires uit het voorportaal van de dood dat Terezin was. Zij zijn niet hard en kwaadaardig, eerder melancholiek en ironisch. Maar in 1992, nu wij de omvang en diepte van de nazi-moord op de joden kennen, kunnen zij niet anders dan navrant en oneindig treurig klinken.

Leo Strauss, zoon van de operettecomponist Oscar Strauss, dichtte voor zijn "Literarisches Strauss-Brettl' in Theresienstadt het chanson: "Als ob'. Het heeft acht vierregelige strofen. De eerste en de laatste luiden:Ich kenne ein kleines Städtchen,Ein Städtchen ganz tiptopIch nenne es nicht beim Namen,Ich nenn's die Stadt Als-obNicht alle Leute dürfenIn diese stadt hinein,Es müssen AuserwählteDer Als-ob-Rasse sein.

De voorstellingen in het Rabenhoftheater zitten tot nu toe steeds vol. Middelbare-schoolklassen zitten elke avond onder het publiek. Het applaus na afloop neemt Wächter in ontvangst “namens de cabaret-artiesten van Theresienstadt”, die op één na de nazi-tijd niet hebben overleefd.