Britten voelen zich geraakt in nationale trots: Onze steenkool is de basis waarop ons nationaal verleden in al zijn grootheid is gebouwd; Schrijvers, van D.H. Lawrence tot George Orwell hebben de mijnwerkers als onderwerp genomen

Toen 30.000 (de politie) tot 250.000 (de organisatoren) mijnwerkers en ex-mijnwerkers gisteren in een massale optocht door Londen trokken, hadden zij daarvoor twee motieven. Eén was dat zij het parlementaire debat over de aangekondigde mijnsluitingen wilden beïnvloeden. Het andere dat zij de Britse bevolking wilden bedanken voor haar solidariteit.

De mijnwerkers zijn blij verrast door het medeleven van de Britten met hun lot. Bij de mijnstaking van 1984-1985 had premier Thatcher de mijnwerkers, die protesteerden tegen voorgenomen mijnsluitingen, nog “een litteken over het aangezicht van de natie” genoemd. Het extremisme van Arthur Scargill, de militant marxistische leider van de NUM, had het woord mijnwerker een vieze bijsmaak gegeven. En toch, toen Michael Heseltine vorige week het voorgenomen ontslag van 30.000 mijnwerkers in 31 mijnen aankondigde, maakte dat massa-ontslag diep in de ziel van de Britten emoties los, die de regering niet had kunnen overzien.

“Waarom”, vroeg de schrijfster van een van de honderden ingezonden brieven naar de kranten zich af, “waarom stond ik, een middleclass, enigszins meer dan middelbare huisvrouw, wonend in een leuk huis in een groene voorstad, de avond na de aankondiging van de sluiting van 31 kolenmijnen, te huilen bij de afwas?” “Ik heb het gevoel dat ik het kostbare erfgoed en de natuurlijke rijkdom van dit land nog beter zelf in mijn eentje kan beheren”, schreef een 81-jarige weduwe.

Gewoonlijk volgzame Conservatieven als Winston Churchill jr. en Elisabeth Peacock waren zo laaiend van woede dat zij hun instinctieve reacties - nóóit de regering afvallen - volledig vergaten en met brood en limonade afreisden naar de Silverhillmijn, waar de gematigde mijnwerkersleider Roy Lynk zich uit protest ondergronds heeft opgesloten.

Het is niet alleen de botte manier van ontslag aanzeggen, noch de massale omvang van het ontslag die de Britten raakte. Wat de regering hier, tot haar eigen ellende, heeft wakkergemaakt is een diepgeworteld, bijna primitief gevoel van eigendomsbescherming. Onze steenkool wordt ons afgepakt en onze mijnwerkers. En onze steenkool is de basis waarop ons nationaal verleden in al zijn grootheid is gebouwd.

Schrijvers, van D.H. Lawrence (Sons and Lovers) tot George Orwell (The road to Wigan Pier), van Friedrich Engels (The Condition of the working class in England) tot Richard Llewellyn (How green was my valley) hebben de mijnwerkers in de afgelopen tweehonderd jaar als onderwerp genomen. Tienduizenden radioluisteraars hebben intens meegeleefd met de wederwaardigheden van Doctor Cronin. De beroemde mannenkoren uit Wales en de bekroonde fanfares uit Yorkshire zijn rotsvast gebouwd op het isolement van mijnwerkersgemeenschappen, die voor vertier op elkaar waren aangewezen.

Toen J.B. Priestley in 1933 zijn English Journey publiceerde (sindsdien vele malen herdrukt), beschreef hij de mijnwerkers aldus: “De mijnwerker nu is geïsoleerd, ver van de rest van de gemeenschap en gewoonlijk in onaangename omstandigheden, want hij woont in de meest beestachtige steden en dorpen in dit land. Hij ziet weinig van u of mij. Aan de andere kant ziet hij heel veel van zijn mede-mijnwerkers. Zij werken samen in een moeilijk en gevaarlijk beroep, waarin zij van elkaar afhankelijk zijn voor hun betrekkelijke veiligheid. (...) Gedurende vijf jaar, eindigend in 1931, zijn meer dan vijfduizend man omgekomen in de kolenindustrie en meer dan 800.000 zijn gewond geraakt. De vrouwen in de mijndorpen leven continu in de angstig afwachtende atmosfeer van de oorlogsjaren. (...) Elke man of jongen die ondergronds gaat, weet maar al te goed welk risico hij loopt een wel bijzonder gruwelijke dood te sterven, van geroosterd worden tot opgesloten worden in de steenmassa, waarbij hij langzaam zal stikken. (Maar) het verrichten van zulk vuil, moeilijk, noodzakelijk werk brengt dikwijls zijn eigen beloning met zich mee. Jij weet voor jezelf, ook al hebben anderen dat niet door, dat je iets voorstelt. Dat is niet een kwestie van opscheppen. Mijnwerkers in dit land zijn geen opscheppers, niet als mijnwerkers tenminste. Ik heb met tientallen gesproken, ik heb ze horen pochen over bier, vrouwen, voetbal, hazewindhonden, vechtpartijen en nog zo wat zaken, maar ik heb nooit iemand onder hen maar horen durven suggereren dat hij een goeie, dappere kerel is omdat hij in een benauwd, gevaarlijk stukje ruimte ondergronds zijn werk verricht.”

Mijnwerkers, samen met de stokers en laders en machinisten bij het spoor en wegvervoer, waren de basis voor de Labour-beweging en werden in de jaren dertig de grondslag voor Labour Party. In de Tweede Wereldoorlog waren het mijnwerkers, de "Bevin Boys', die ondergronds net zo hard zwoegden om steenkool (en dus staal, scheepsbouw en vliegtuigbouw) te produceren en zo de oorlogsinspanningen aan de gang te houden, als de Britse strijdkrachten dat bovengronds deden. Dat hebben de Britten, felle nationalisten als zij zijn, nooit vergeten.

Toen in 1947 de kolenindustrie onder Labour-leider Attlee werd genationaliseerd, werkten er 720.000 mijnwerkers in 958 mijnen. Zij juichten: een droom was werkelijkheid geworden. De prokuktie van steenkool, geloofden zij, was hun industrie geworden. En Attlee hield de mijnwerkers voor dat de economische toekomst van Groot-Brittannië van hun inspanningen afhing. “Doe het voor je land”, drongen de mijnwerkersleiders bij hun leden aan en kregen zo gedaan dan een produktiecyclus van zes dagen werd aanvaard.

Al in de jaren zestig werd duidelijk dat de kolenindustrie moest worden gesaneerd. De Conservatieve premier Harold MacMillan liet dat over aan de Labour-politicus Alfred Robens, met het befaamde advies: “Vlak de cijfers maar een beetje af, beste kerel. Slijp de scherpe kantjes maar wat bij”. Immers: “Geen regering die goed bij haar verstand is zoekt ruzie met òf de Brigade of Guards, òf de katholieke kerk, òf de National Union of Mineworkers”. Robens, als president van de Coal Board, ontsloeg in tien jaar 300.000 mijnwerkers en sloot 400 mijnen, maar wist door sympathiek opereren en door provisie van goede sociale opvang de NUM aan zijn kant te houden. Bij zijn vertrek, in 1971, pleitte Robens voor een nationaal energiebeleid. De meeste deskundigen voorspelden toen immers al dat kolen langzaam minder belangrijk zouden worden als primaire energieverschaffer. Maar Whitehall liet zich verleiden door de belofte van "Noordzee-olie en -gas', goedkoper, geloofden ze, en bovendien vrij van gedwongen afhankelijkheid van de mijnwerkers.

De rest van het verhaal is bekend: de manier waarop de mijnwerkers de Conservatieve premier Edward Heath wisten te vernederen in 1973, de wraak van Margareth Thatcher daarvoor in 1984-1985 en de manier waarop de militantie van Arthur Scargill haar in de kaart speelde, hebben de reputatie van de mijnwerkers geen goed gedaan. En toch, aan het eind van die staking waren er evenveel mensen die de schuld van dat bloedige conflict aan de regering gaven als aan de mijnwerkers.

De steenkoolindustrie in Groot-Brittannië is nu het meest produktieve, kostenbesparende en technisch superieure kolenproduktiebedrijf ter wereld geworden. Om die met tweederde terug te brengen, vertrouwend op blijvend goedkoop gas en op goedkoop geïmporteerde kolen, is volgens de meeste mensen dwaasheid. Maar afgezien van het economische argument: om hele mijnwerkersgemeenschappen te vernietigen en op termijn 100.000 banen te schrappen, en dat in het diepst van een recessie, lijkt op puur vandalisme.

De Britten, toch al geplaagd door de effecten van een Thatcher-revolutie die geen revolutie blijkt te zijn geweest, hadden er vorige week ineens genoeg van. Zij hadden genoeg van de economische misère, die werkloosheid, schulden en soms verlies van huis en haard heeft veroorzaakt. Zij hadden bovenal genoeg van het dogma - in Thatcher's befaamde uitspraak - “There is no such thing as society”. En dat ongenoegen kanaliseerde zich in sympathie met de mijnwerkers, wier fysieke opoffering en jarenlange loyaliteit nu weer model blijken te staan voor slecht beloonde decency.

De huisvrouw die zo moest huilen in haar afwasteiltje, formuleerde het zo: “Het gevoel dat wij één samenleving zijn, dat wij een gedeelde sociale verantwoordelijkheid hebben, is een fragiel iets. Maar wat zijn wij zonder dat gevoel? De werking van de markt is nu kennelijk zo belangrijk dat je je alleen over sociale gevolgen zorgen mag maken, als dat economisch ook verantwoord is. Mijn tranen, en de tranen van velen, zijn voor de toekomst, voor de eerlijke en zorgzame samenleving, die ons tussen de vingers doorglipt. Het kan niet anders of iedereen moet daarbij toch ergens een gevoel van verontrusting ervaren”.

    • Hieke Jippes