Pensioenfondsen ruiken hun kans

DEN HAAG, 21 OKT. Wat is een vermogensoverschot? Al meer dan vijf jaar bakkeleien financiële experts en politici over de vraag of de vermogens van pensioenfondsen te groot zijn in relatie tot de verplichtingen. In 1987 vonden minister-president Lubbers en minister Ruding (financiën) de pensioenfondsen "te vet'. Het wetsvoorstel vermogensoverschotheffing beoogt volgens berekeningen van Financiën om circa 19 miljard gulden "overtollig' pensioenvermogen weg te werken; ruim 4 procent van het belegd vermogen van de pensioenfondsen.

In de Tweede Kamer zou het wetsvoorstel deze week worden behandeld. Maar uitstel van de algemene politieke beschouwingen als gevolg van de vliegramp in de Bijlmermeer leidde ook tot uitstel van de wet. Zo luidt de officiële verklaring. De werkelijke reden is dat minister Andriessen (economische zaken) op dit moment geld bij elkaar sprokkelt voor een Industriefonds. Dit fonds moet een "oorlogskas' worden voor strategische industriële bedrijven die "even een financiële injectie' nodig hebben. Zo luidt de omschrijving op het ministerie van economische zaken. Voor eenvijfde wordt het fonds gevoed door de overheid en voor viervijfde met privaat kapitaal van banken, verzekeraars en pensioenfondsen.

"Met jou kunnen we geen zaken doen, laat je collega van financiën maar langs komen' redeneren de pensioenfondsen. "Als het wetsvoorstel vermogensheffing enigszins wordt versoepeld, valt er met ons te praten.'

Het kabinet werkt op dit moment aan een nota van wijziging. Anticiperend heeft de PvdA-fractie nu voorgesteld het wetsvoorstel te wijzigen om zo investeringen in "maatschappelijk goede doelen' te stimuleren. Het kabinet wil de belastingvrije reserve boven de "gewone' verplichtingen beperken tot maximaal 18 procent. De PvdA-fractie wil dat percentage verhogen tot maximaal 30. Mits pensioenfondsen een gedeelte van hun vermogen investeren in een verbetering van de infrastructuur, het leefmilieu ("Groenfonds') of het Industriefonds.

Met het voorstel wordt de druk van de ketel gehaald, meent de Vereniging van bedrijfspensioenfondsen. Maar de fondsen blijven gepikeerd. De strijd van het kabinet is namelijk vooral gericht tegen de PGGM, het pensioenfonds voor de zorgsector. Het bestuur weigerde dit voorjaar de premies te verlagen om daardoor de koopkracht van mensen werkzaam in de zorgsector op peil te houden. Minister-president Lubbers besloot het wetsvoorstel voor belastingheffing op de vermogensoverschotten van pensioenfondsen - nadat het twee jaar op de plank had gelegen - "af te stoffen' en door het parlement te jagen.

De kern van de wet is dat pensioenfondsen vijf jaar nadat de wet van kracht is, de tijd hebben om een vermogensoverschot "weg te werken'. Ze kunnen dit doen door bij voorbeeld de premies te verlagen. Als er na vijf jaar nog steeds een vermogensoverschot is, wordt ieder jaar een heffing opgelegd van maximaal 40 procent, net zo lang totdat het vermogensoverschot is verdwenen. Vroeg (premiedaling) of laat (heffing) komt de fiscus dus aan zijn trekken.

Bij het bepalen van een vermogensoverschot geldt een zekere marge. Het wetsvoorstel gaat uit van een extra reserve “boven de normale verplichtingen” - verplichtingen waarbij geen rekening wordt gehouden met stijging van lonen en prijzen - van maximaal 18 procent.

Op een hoorzitting in september drongen de pensioenfondsen erop aan deze belastingvrije buffer te verhogen. De discussie tussen de vereniging van bedrijfspensioenfondsen en de stichting voor ondernemingspensioenfondsen enerzijds en de Kamerleden anderzijds spitste zich toe op de vraag wat een acceptabel "overschot' is; met andere woorden: welke reserve is noodzakelijk?

Het wetsvoorstel komt uit op een vermogensoverschot van 19 miljard gulden. Dit is volgens het kabinet het bedrag waar geen aanwijsbare verplichtingen tegenover staan. Het kabinet vindt dit ongewenst omdat er meer premie wordt betaald dan strikt noodzakelijk is. De schatkist derft daardoor inkomsten omdat pensioenpremies fiscaal aftrekbaar zijn.

Het berekenen van de toekomstige verplichtingen - en een vermogensoverschot - is een hachelijke zaak. Sommige pensioendeskundigen voorspellen dat de bestaande vermogens zelfs te gering zijn om in de toekomst aan de verplichtingen te voldoen. Ze wijzen bij voorbeeld op de onzekerheid over de betaalbaarheid van de AOW, vergrijzing van de bevolking en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De omvang van de verplichtingen wordt ondermeer bepaald door loonstijging (veel pensioenen zijn gebaseerd op het laatst verdiende loon) en inflatie (de meeste pensioenen zijn waardevast). Het Centraal Planbureau heeft al moeite met het schatten van de inflatie en loonstijging voor volgend jaar, laat staan over een periode van tien jaar.

Het bepalen van een vermogensoverschot heeft “een hoog natte vingergehalte”, meent een pensioenexpert. “Onzekerheid willen we zoveel mogelijk uitbannen. Dus daarom is het wenselijk dat deze wurgende wet zo snel mogelijk in de Kamer wordt behandeld. Het initiatief van de PvdA werkt hopelijk als katalysator.”

    • Cees Banning