Oud brood

Even het oude brood wegbrengen. Meteen rechtsaf, langs het blok huizen dat geheel verlaten is. Negen gezinnen, vierendertig mensen woonden hier. De middag nadat ze verhuisd waren, werden alle koperleidingen weggehaald en de deuren dichtgespijkerd. Desondanks verschaften 's nachts krakers zich toegang tot het blok. De volgende ochtend waren ze er uitgekegeld en nu zijn ook de ramen geblindeerd.

Dan langs het café dat de faam heeft nog een ouderwetse, Amsterdamse onderwereldkroeg te zijn. Vorige maand zaten moeder en dochter op de stoep achter een frisdank. Vader ging even afrekenen en werd ter plekke overhoop geschoten. De ambulance kon het nauwe straatje niet in en de man woog meer dan honderd kilo. De volgende dag klonken de schlagers weer uit de open ramen.

Voorbij het café links de doodlopende steeg in. Rechts de muur van een oude fabriek met geroeste tralies voor de ramen, misschien om de arbeiders in toom te houden, links de achterkant van huizen en een klein pleintje, groot genoeg voor een bank en twee struiken. Vanaf hier gaat de stenen bestrating over in gras, zoals de Via Aurelia voor grote delen overwoekerd is en je verrast hoort dat Julius Caesar er ooit heeft gereden. Het gras is sompig.

Na het pleintje wordt de steeg afgeschermd door hoge hekken met zwaar gaas. Een zeer ruime binnenplaats wordt zichtbaar. De huizen zijn teruggetrokken en de binnenplaats wordt bevolkt door klein vee: dertig kippen, twee bokken, een schaap, konijnen, eenden. De pauw zie ik niet. Het valt mee dat de andere beesten nog leven. Wie zou er in een buurt, waar snel even met vader wordt afgerekend, niet een kippetje lusten?

Ik gooi het oude brood over het hek. Duiven, die gevleugelde ratten, fladderen op en verspreiden van onder hun veren de stank die hen zo gehaat maakt. Kippen laten zich kakelend horen, maar ze worden verjaagd door Bertus, de oudste bok. De eenden blijven rustig op hun vlonder. Vanaf het dak van een goederenwagen kijkt een kat toe.

Dan komt over het modderige veld het schaap aansjokken. Haar vacht is dik. Ik kijk naar de huizen, maar niemand maakt aanstalten haar te scheren. Daarom loopt ze zo traag, denk ik, maar wanneer ze het hek nadert, zie ik dat de buitenste nagels van haar beide voorpoten lang naar voren uitsteken, alsof ze vijf maten te grote schoenen heeft gekocht. Het brood had ik al weggegooid. Ze ziet mijn lege handen. Zonder mij zelfs een blik van verwijt waardig te keuren, herneemt ze haar pijnlijke gang. Ik doe het plastic in een speciaal daarvoor opgehangen zak en keer terug.

Op de hoek van het dichtgetimmerde blok heeft zich een fietsenmaker gevestigd: een broodmagere jongen die als het weer het toelaat in bloot bovenlijf loopt zonder de pretentie een exhibitionist te zijn. Hij heeft een dikke hoornen bril, zijn huid is lijkkleurig.

Op de rabathouten schutting die tot aan zijn tijdelijke bedrijfje leidt, staat met woedende koeieletters geschreven: vuilnis ophalen maandag en donderdag!!! Onder tegen het hout liggen onderdelen voor zo'n zestig fietsen, alleen zet ze maar eens in mekaar. Daar is hij mee bezig.

Een meisje komt langs. Of de fietsenmaker haar terugtraprem kan maken. Met een zwaar Engels accent zegt hij: “Dat zal wel lukken”, vervangt een kettingspanner en het is klaar. Het meisje is zo blij dat ze hem een kus lijkt te willen geven, maar ook zij ziet dan de zwarte smeerstrepen op zijn lijkkleurige gelaat. Door de openstaande deur kan ik een blik in de huiskamer werpen: voor nog eens zeshonderd fietsen ligt daar aan materiaal. Voorzover ik het kan zien, want de ramen zijn dichtgespijkerd. Vandaar zijn lichaamskleur. Het verhaal gaat dat hij een verhouding heeft met Priscilla, die luid scheldend in de buurt rondloopt en haar vader zoekt. Ook in het Engels.

Ik ga ons huis binnen. Over een maand gaat het blok hiernaast tegen de vlakte, zegt de overbuurvrouw. Zij kan het weten, want ze hangt elke dag uit het raam. Geen fietsenhandel meer, geen mogelijkheid even snel een andere kettingspanner te krijgen. Geen bericht meer over de ergernis dat het vuil de hele week op straat ligt.

Wat blijft is het café en de dumpplaats voor het oude brood.

Maar ook daar is het leven tijdelijk.

    • Jean-Pierre Plooij